Niet de boeren, maar het stikstofbeleid van D66 rijdt Nederland de afgrond in

Op het platteland rouleren flink wat spreekwoorden en gezegdes die zich lastig laten vertalen naar het formeel-Nederlands. Een uitzondering is het woord ‘lulkoek’. Dat woord past prima bij de kritiek die premier Jetten op de boeren had die demonstratief op de snelweg reden met tractoren.
Het woord ‘lulkoek’ heeft, ondanks hoe het nu klinkt, oorspronkelijk waarschijnlijk niets te maken met het mannelijk lichaamsdeel waar de belangstelling van de premier primair op gericht lijkt te zijn. Het eerste deel – lullen – komt van het oude werkwoord ‘lullen’, wat wiegen, murmelen of eentonig zingen betekende (denk aan een slaapliedje of lullaby). Later verschoof dit naar ‘onbeduidend praten’. De toevoeging koek werd vroeger vaak gebruikt om een samenhangende massa van iets negatiefs aan te duiden (zoals kattenkoek of onzinbrij). Samen vormt het dus letterlijk: een bijeen gebakken brij van onzinpraat.


















































