D66 verdedigt partijverbod, maar blijft vaag om welke partijen het gaat

Het wetsvoorstel van D66 om politieke partijen onder bepaalde voorwaarden te kunnen verbieden, heeft tijdens een debat in de Tweede Kamer tot stevige discussie geleid. Vooral de vraag welke partijen of gedragingen straks onder de nieuwe wet zouden kunnen vallen, zorgde voor een felle woordenwisseling. FVD-Kamerlid Gideon van Meijeren vroeg initiatiefnemer Joost Sneller (D66) herhaaldelijk om concrete voorbeelden, maar die bleven volgens hem uit.
Het voorstel van D66 maakt het mogelijk politieke partijen te verbieden wanneer zij een bedreiging vormen voor de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Volgens de partij is het bedoeld als extra bescherming van de democratische orde. Tegenstanders vrezen juist dat de formulering te ruim is en ruimte laat voor politieke interpretatie.
D66 wil met een nieuwe Wet politieke partijen 'ondemocratische' partijen kunnen verbieden.
— Forum voor Democratie (@fvdemocratie) June 24, 2026
Wanneer @gideonvmeijeren om concrete voorbeelden van ondermijning van de rechtsstaat vraagt, blijft het opmerkelijk stil. pic.twitter.com/eUmxmFO7Bd
Tijdens het debat probeerde Van Meijeren duidelijk te krijgen welke situaties D66 precies voor ogen heeft. Hij vroeg Sneller meerdere keren welke partij, uitspraak of gedraging aanleiding is geweest voor het wetsvoorstel. Volgens Van Meijeren bleef een concreet antwoord uit. Sneller verwees naar de rol van de procureur-generaal en sprak over mogelijke “neigingen” en “kenmerken” van partijen, maar noemde geen specifieke voorbeelden van politieke organisaties of uitlatingen die volgens hem onder de wet zouden vallen.
Een belangrijk discussiepunt tijdens het debat was de vraag wie uiteindelijk bepaalt wanneer een politieke partij een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat.
Van Meijeren stelde dat veel politieke standpunten nu eenmaal fundamenteel van elkaar verschillen. Hij wees erop dat een voorstel om internationale verdragen op te zeggen door de ene partij kan worden gezien als een aantasting van grondrechten, terwijl een andere partij dat juist ziet als een versterking van de nationale soevereiniteit. Volgens hem horen dergelijke verschillen thuis in het politieke debat en niet in een juridische procedure waarin uiteindelijk een partijverbod kan volgen.
De spanning liep verder op toen Sneller tijdens het debat opmerkte dat uitlatingen van Van Meijeren en Forum voor Democratie volgens hem zouden “schuren met de democratische rechtsstaat”. Van Meijeren maakte daarop gebruik van een persoonlijk feit en vroeg Sneller zijn uitspraak te onderbouwen of terug te nemen. Volgens hem bleef ook op dat moment een concrete toelichting uit.
‘Stok achter de deur’
Sneller omschreef zijn wetsvoorstel tijdens het debat als een “stok achter de deur”. Daarmee bedoelt hij dat het instrument alleen in uitzonderlijke situaties gebruikt zou moeten worden.
Juist die omschrijving leidde tot nieuwe vragen vanuit de oppositie. Tegenstanders wilden weten wie uiteindelijk beslist wanneer zo’n uitzonderlijke situatie zich voordoet en welke waarborgen bestaan tegen politiek gebruik van de wet.
In het voorstel speelt de procureur-generaal een centrale rol bij het starten van een procedure. Critici wijzen erop dat de uiteindelijke toepassing van zo’n verstrekkende bevoegdheid alleen mogelijk is wanneer vooraf duidelijk is welke gedragingen onder de wet vallen.























































