Kamerleden laten asieldebat bewust ontsporen

In de binnenstad stond een man, alleen, duidelijk in zichzelf gekeerd. Slecht verzorgd, verwarde indruk, warrig haar PLO-sjaal om de nek, brilletje op zijn neus en hij sprak, in zijn eentje. Het was een hele discussie die hij voerde. Druk bezig, de discussie ging heen en weer en wisselde snel van stemming.
Retorische wijsvingers, batongebaren, verheven blik en dan weer lachend. Wát de hulpverleners ook zeiden, het drong niet tot hem door, hij hoorde het niet, hij bleef praten met en tegen zichzelf. ‘Rob!, Rob!’ Riepen de hulpverleners, hij keek, maar verder geen reactie… oh wacht, nu is hij Henri. ‘Hallo, Henri,…??’ Het licht was aan, Henri was echter niet thuis. Ach natuurlijk, Jesse, daar hebben we Jesse,…’Meneer, kijkt u mij aan alstublieft’,… Hier verscheen zelfs het testbeeld, de zender was gestoord, er was geen ontvangst mogelijk. En daar stond hij, moederziel alleen, temidden van een zee van mensen, iedereen wilde helpen, de arme stakker, hij zag het niet meer, het lukt hem niet, slechts de drukke monoloog met zichzelf en de ingebeelde gesprekspartner was op dat moment zijn hele wereld, de wereld om hem heen was vergaan. Rob, Henri en Jesse, verenigd in een enkel persoon.

















































