EU-rechter zet rem op strikte uitvoering vogelregels in Nederland

Een uitspraak van het Europese Hof van Justitie kan gevolgen krijgen voor de manier waarop Nederland projecten met mogelijke gevolgen voor vogels beoordeelt. Het Hof geeft sinds februari meer ruimte om preventieve maatregelen mee te wegen. Ook hoeft niet iedere verstoring van één vogel automatisch doorslaggevend te zijn. De gevolgen voor de populatie staan centraal.
Dat raakt aan de Nederlandse praktijk rond vergunningen, natuurtoetsen en ruimtelijke projecten. Vooral bij besluiten die worden tegengehouden vanwege mogelijke verstoring van vogels kan de uitspraak van belang zijn. Het Hof bepaalt dat maatregelen die schade voorkomen of beperken direct mogen worden meegenomen bij de beoordeling.
Nederlandse overheid moet rekening houden met nieuwe uitleg
De uitspraak gaat over artikel 5, onder d, van de Europese Vogelrichtlijn. Daarin staat het verbod op het opzettelijk storen van vogels. Volgens het Hof draait die bepaling om verstoringen die wezenlijke gevolgen hebben voor de vogelpopulatie. Het gaat dus niet automatisch om ieder individueel exemplaar. Alleen wanneer een populatie al zo kwetsbaar is dat het verstoren van één of enkele vogels de soort verder in gevaar brengt, kan dat anders liggen.
Voor Nederland betekent dit dat bij nieuwe besluiten niet zonder meer de strengste mogelijke uitleg van de Vogelrichtlijn kan worden gebruikt, analyseert Wynia's Week. Een project kan doorgaan wanneer maatregelen ervoor zorgen dat de gevolgen voor de populatie niet wezenlijk zijn. Daarbij mogen ook economische en recreatieve belangen worden meegewogen binnen het kader van de richtlijn.
Ook de eisen aan het bewijs zijn minder absoluut dan soms in het Nederlandse natuurbeleid wordt aangenomen. Volgens het Hof kan een goed gemotiveerd oordeel van een deskundige voldoende zijn. Dat oordeel moet wel zijn gebaseerd op de betrouwbaarste beschikbare wetenschappelijke gegevens en het nieuwste internationale onderzoek. Er hoeft niet altijd praktijkbewijs te bestaan dat dezelfde maatregel elders al succesvol is toegepast.
Brief van minister krijgt andere juridische context
Dat is relevant voor de koers van minister Jaimi van Essen. In een brief schrijft hij: ‘Een totaalpakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen moet ervoor zorgen dat ten minste (dreigende) verslechtering van Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten.’
De uitspraak van het Hof maakt duidelijk dat voor vogelverstoring onder artikel 5 van de Vogelrichtlijn meer ruimte bestaat dan een systeem waarin ieder mogelijk risico vooraf volledig moet worden uitgesloten. Nederlandse ambtenaren, vergunningverleners en rechters zullen bij zaken over vogelverstoring rekening moeten houden met die uitleg.
Daarbij past wel een belangrijke juridische nuance. Het arrest schaft de strenge bescherming van Natura 2000-gebieden niet in brede zin af. Het Hof maakt zelf onderscheid tussen de Vogelrichtlijn en artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn. Voor plannen en projecten die Natura 2000-gebieden kunnen aantasten, blijft die afzonderlijke Europese toets bestaan.
Ook advies landsadvocaat vraagt om onderscheid
Dat onderscheid is belangrijk bij een advies van de landsadvocaat dat in het Nederlandse debat wordt gebruikt. Daarin staat: ‘De passende beoordeling dient volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies te bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van een plan of project, voor de betrokken Natura 2000-gebieden kunnen wegnemen.’
Die formulering is niet simpelweg vervallen door het arrest van 26 februari. De uitspraak gaat specifiek over de beoordeling van vogelverstoring. Voor dat onderdeel geldt niet automatisch dezelfde zware bewijsmaatstaf als bij een passende beoordeling onder de Habitatrichtlijn. Het Hof laat lidstaten bovendien ruimte bij de manier waarop bewijs wordt beoordeeld.
De belangrijkste verandering voor Nederland zit daarom niet in een algemene afschaffing van strenge natuurregels. Wel wordt de juridische ruimte bij vogelbescherming groter. Overheden kunnen preventieve maatregelen eerder meewegen, moeten vooral naar de gevolgen voor populaties kijken en hoeven niet in alle gevallen absolute wetenschappelijke zekerheid te verlangen.
Dat kan gevolgen hebben voor vergunningen voor wegen, woningbouw, evenementen en andere projecten waarbij verstoring van vogels een rol speelt. Nederlandse beleidsmakers en juristen zullen nieuwe besluiten daarom moeten toetsen aan de lijn die het Europese Hof op 26 februari heeft uitgezet.

























































