Mijn familie werd vermoord door Hamas, nu spreekt een familielid van de dader bij de Rode Lijn
Ieder mens kent een bepalend moment in zijn leven. Een moment dat zijn bestaan voorgoed verdeelt in een ‘ervoor’ en een ‘erna’. Mijn bepalende moment vond 25 jaar geleden plaats. Op 9 augustus 2001 zat ik met mijn familie pizza te eten in ons favoriete restaurant in Jeruzalem, toen een Palestijns lid van de terroristische organisatie Hamas het restaurant binnenkwam, gedreven door een extremistische islamistische ideologie en haat tegen westerse waarden. Hij droeg een explosief bij zich, verborgen in een gitaarkoffer, gevuld met spijkers en stukken metaal die bedoeld waren om zo veel mogelijk leed aan te richten. Hij bracht de bom tot ontploffing en vermoordde vijftien mensen. Vijf van hen waren Nederlandse staatsburgers: mijn familie. Mijn vader, Mordechai; mijn moeder, Tzira; mijn oudste zus, Ra’aya; en mijn twee jongere broer en zus, Avraham en Hemda, van wie Hemda pas twee jaar oud was. Mijn zus Chaya en ik raakten zwaargewond, maar overleefden de aanslag.
De naam van de aartsterrorist die hielp bij het plannen en voorbereiden van de aanslag was Abdullah Barghouti. Hij werd later opgepakt en gevangengezet vanwege zijn betrokkenheid bij de moord op 66 mensen.


















































