Wilders krijgt gelijk van expert: effect statushouders op sociale huur is groter dan geraamd

Het veelgebruikte cijfer dat 7 procent van de vrijkomende sociale huurwoningen naar statushouders gaat, vertelt volgens electoraal geograaf Josse de Voogd maar een deel van het verhaal. Wie kijkt naar woningen waarop starters en andere mensen van buiten de sociale huursector daadwerkelijk kans maken, komt volgens nieuw onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) veel hoger uit: tussen de 20 en 33 procent.
De Voogd stelt dat politici jarenlang met het lagere percentage hebben geschermd zonder duidelijk te maken wat dat cijfer precies meet. In Stand van Nederland op NPO Radio 1 sprak hij van een verschil tussen „een werkelijkheid voor de schermen en een werkelijkheid achter de schermen bij het koffieapparaat”.
Veel woningen zijn interne verhuizingen
Het verschil draait om de manier waarop vrijkomende sociale huurwoningen worden geteld. Het cijfer van ongeveer 7 procent betreft alle toewijzingen. Daar zitten ook veel mensen tussen die al in een sociale huurwoning wonen en binnen die sector verhuizen.
Denk aan senioren die naar een andere woning gaan, bewoners die vanwege sloop moeten verhuizen en huurders die doorstromen naar een andere sociale huurwoning. Voor iemand die nog bij zijn ouders woont, na een scheiding opnieuw moet beginnen of voor het eerst sociale huur zoekt, zijn zulke woningen feitelijk niet allemaal beschikbaar.
De Voogd gebruikt daarvoor het beeld van een flat met twaalf verdiepingen. Eén verdieping staat dan voor het aandeel statushouders. Dat lijkt weinig. Maar verschillende andere verdiepingen bestaan uit mensen die binnen de sociale huursector van woning wisselen. Pas wanneer die interne bewegingen worden weggestreept, wordt volgens hem zichtbaar hoeveel woningen werkelijk overblijven voor nieuwe woningzoekenden.
„De 7 procent is een cijfer dat formeel klopt, net zoals de omzet van een bedrijfje klopt, maar de omzet is niet mijn inkomen”, zegt De Voogd. Volgens hem stelt de samenleving een andere vraag: „Hoeveel langer moet ik wachten door de maatregel van voorrang voor statushouders?”
Het EIB komt voor die groep woningzoekenden uit op een aandeel van 20 tot 33 procent. Dat percentage heeft dus niet betrekking op álle sociale huurwoningen, maar op het deel dat beschikbaar komt voor mensen die nog niet binnen de sociale huursector wonen.
Migratie grote factor op woningmarkt
Het debat volgt op een bredere studie van het EIB naar migratie en wonen. Volgens het instituut was migratie tussen 2015 en 2024 verantwoordelijk voor ongeveer 60 procent van de woningvraag die in die periode samenhing met de bevolkingsontwikkeling.
In die tien jaar kwamen 2,2 miljoen migranten naar Nederland. In 2024 woonden daarvan nog circa 1,4 miljoen mensen in het land. Zij woonden volgens het EIB verspreid over ongeveer 435.000 woningen.
Voor de komende tien jaar verwacht het instituut dat bij een lagere migratie ongeveer 235.000 extra woningen nodig zijn voor migranten. Als de huidige trend doorzet, stijgt dat naar ongeveer 314.000.
Daarbij gaat het niet uitsluitend om asielmigratie. Ook arbeidsmigranten, buitenlandse studenten en andere migranten tellen mee.
CBS spreekt EIB niet tegen
Opvallend is dat het CBS de conclusies van het EIB niet afwijst. CBS-onderzoeker Ruben van Gaalen zegt dat het rapport „prima” oogt en globaal aansluit bij de eigen cijfers en prognoses van het statistiekbureau.
Volgens hem is het ook niet verrassend dat migratie doorwerkt op de woningmarkt wanneer de bevolking jarenlang vooral groeit door een positief migratiesaldo. Het CBS maakt in zijn eigen cijfers bovendien eveneens onderscheid tussen mensen die binnen de sociale huursector verhuizen en mensen die voor het eerst instromen.
Voor De Voogd maakt dat de eerdere publieke nadruk op die 7 procent juist moeilijk te begrijpen. Hij zegt dat de bredere cijfers volgens hem al langer bekend zijn, maar in het publieke debat weinig aandacht kregen.
„Als je doorleest zie je de echte impact, maar in de kop staat toch elke keer weer groot dat percentage van 7 of 8 procent”, stelt hij.
‘Wilders werd weggelachen’
De Voogd haalt daarbij ook het verkiezingsdebat van 2023 aan. PVV-leider Geert Wilders zette toen vraagtekens bij het veelgebruikte percentage van 7 procent en kreeg daar scherpe reacties op van andere partijleiders.
Volgens De Voogd was de onderliggende kritiek op het cijfer niet zo eenvoudig van tafel te vegen. „Je kunt van alles vinden van Geert Wilders en zijn retoriek en totaal andere oplossingen voorstaan, maar ik weet dat er achter de schermen meer politici deze cijfers heus wel kennen maar het niet zeggen.”
Hij vreest dat vooral inwoners van socialehuurwijken hierdoor het gevoel krijgen dat hun ervaringen worden ontkend. De discussie gaat volgens hem daarom niet alleen over migratie, maar ook over de afstand tussen beleidsmakers en mensen die zelf afhankelijk zijn van sociale huur.
De Voogd zegt dat hij zich juist daarom uitspreekt, ondanks de gevoeligheid van het onderwerp. Hij wil naar eigen zeggen niet in een „anti-migratiehoek” worden gezet en benadrukt dat dezelfde cijfers ook gebruikt kunnen worden om juist méér woningbouw te bepleiten.
VVD: ‘Niet het eerlijke verhaal’
Ook VVD-Kamerlid Jurgen Nobel, die aan het radiogesprek deelnam, vindt dat alleen verwijzen naar 7 procent onvoldoende is. „Dat andere cijfer, 7 procent, klopt wel, maar het geeft geen eerlijk beeld”, zegt hij. Volgens Nobel moet bij zo'n belangrijk onderwerp duidelijk worden gemaakt wat de gevolgen zijn voor een starter die jarenlang bij zijn ouders woont omdat geen woning beschikbaar komt.
Daarmee verschuift de discussie van de vraag of het cijfer van 7 procent technisch klopt naar een andere kwestie: welk cijfer laat het beste zien wat de voorrang voor statushouders betekent voor mensen die zelf nog geen sociale huurwoning hebben?
Volgens het EIB en De Voogd is daarvoor niet 7 procent, maar een aandeel van 20 tot 33 procent de relevante maatstaf.



















































