Nederland krijgt klein deel EU-coronageld, maar betaalt straks wel miljarden mee aan schuld

De Europese Unie moet vanaf 2028 beginnen met het terugbetalen van de enorme schuld die tijdens de coronacrisis is aangegaan. Lidstaten gebruikten uiteindelijk 648 miljard euro uit het Europese herstelfonds. Over de rekening is alleen nog altijd geen overeenstemming. Voor Nederland staat één ding wel vast: het kreeg relatief weinig geld uit de subsidiepot, maar moet naar verwachting een veel groter deel van de gezamenlijke schuld dragen. Dit meldt Brusselse Nieuwe.
Het coronaherstelfonds werd in 2021 opgetuigd om de Europese economie na de lockdowns weer op gang te helpen. De Europese Commissie kreeg toestemming om daarvoor op grote schaal geld te lenen op de kapitaalmarkt. Commissievoorzitter Ursula von der Leyen vergeleek de operatie destijds zelfs met het Amerikaanse Marshallplan na de Tweede Wereldoorlog.
In totaal maakten de EU-landen gebruik van 648 miljard euro. Daarvan bestond 291 miljard uit leningen aan lidstaten. Die landen moeten dat geld zelf terugbetalen. Daarnaast werd 357 miljard euro uitgekeerd als subsidies, vaak aangeduid als ‘giften’.
Ook de ‘giften’ moeten worden terugbetaald
Juist bij die laatste miljarden zit de politieke pijn. De subsidies hoeven niet rechtstreeks te worden terugbetaald door het land dat ze ontving. De Europese Commissie heeft het geld daarvoor echter wel geleend. Uiteindelijk moet die schuld dus alsnog worden afgelost uit de Europese begroting, die voor een belangrijk deel wordt gevuld door de lidstaten.
Nederland vroeg zelf geen lening aan en kreeg voor 5,6 miljard euro aan subsidies toegewezen. Een belangrijk deel daarvan ging naar maatregelen rond verduurzaming, waaronder de aansluiting van ruim 500.000 warmtepompen, elektrische fornuizen en boilers op zonnepanelen.
Nederland ontving daarmee ongeveer 1,5 procent van de totale subsidiepot. Bij het terugbetalen van de gezamenlijke schuld ligt de verhouding anders. Naar verwachting komt ongeveer 6,1 procent voor Nederlandse rekening, omdat de bijdrage samenhangt met het aandeel van Nederland in de Europese economie.
Nederland betaalt daardoor niet alleen voor de eigen ontvangen miljarden, maar ook mee aan subsidies die naar andere lidstaten zijn gegaan.
Waar moet het geld vandaan komen?
De eerste aflossingen moeten vanaf 2028 plaatsvinden. De vraag is nu waar Brussel het benodigde geld vandaan haalt. Volgens het Nederlandse kabinet liggen er grofweg drie mogelijkheden op tafel.
De eerste is simpel, maar politiek gevoelig: lidstaten verhogen hun jaarlijkse bijdrage aan de Europese begroting. Vooral nettobetalers zien daar weinig in. Nederland draagt nu al meer af aan de EU dan het via de Europese begroting terugkrijgt.
Een tweede mogelijkheid is bezuinigen. Brussel zou dan geld moeten weghalen bij andere Europese programma's om ruimte te maken voor rente en aflossing. Nederland ziet daar meer in.
Een Nederlandse EU-diplomaat vat het probleem kernachtig samen: „Gratis geld bestaat niet. Maar in Europa vinden we dat lastig.”
Volgens hem kan Brussel niet telkens nieuwe uitgaven toevoegen zonder ergens anders te schrappen. „Je kunt niet méér doen met evenveel geld.” Ook Duitsland, Zweden, Oostenrijk, Finland en Denemarken neigen volgens Brusselse Nieuwenaar deze zuinige lijn.
Nieuwe Europese belastingen
Een derde mogelijkheid is het vergroten van de eigen inkomsten van de EU. Brussel zou bijvoorbeeld meer geld kunnen ophalen via heffingen op tabak en elektronisch afval. Ook inkomsten uit CBAM, de Europese CO2-heffing op bepaalde producten die van buiten de EU worden ingevoerd, kunnen daarvoor worden gebruikt.
Het Nederlandse kabinet staat positief tegenover zulke inkomstenbronnen. Niet alle lidstaten delen dat enthousiasme. Tegenstanders vrezen dat eigen Europese belastingen de EU meer kenmerken van een federale overheid geven.
Daarmee raakt de discussie over de coronaschuld aan een veel bredere politieke vraag: hoeveel eigen financiële macht moet Brussel krijgen?
Nieuwe schuld om oude schuld af te lossen
Econoom en emeritus hoogleraar Lex Hoogduin vreest nog een vierde scenario. De Europese Commissie zou opnieuw geld kunnen lenen om aflopende coronaschulden te vervangen. De schuld wordt dan doorgeschoven en Brussel hoeft vooral de jaarlijkse rente op te brengen. Die bedraagt volgens Hoogduin ongeveer 20 miljard euro.
Hij noemt bij Brusselse Nieuwe dat „een reële optie”, maar alleen „als je vergeet dat de Europese Unie niet mag lenen”. De coronolening was volgens hem mogelijk vanwege de uitzonderlijke noodsituatie tijdens de pandemie. Van gezamenlijk lenen een terugkerend instrument maken, vindt hij onwenselijk.
„Europees lenen mag niet, en dat moet vooral zo blijven”, zegt Hoogduin. Volgens hem ontstaat anders een precedent. „Anders is het hek van de dam en schuiven we de problemen alsmaar vooruit.”
Nederland wil daarom dat de schuld daadwerkelijk wordt afgelost en dat daarvoor zo nodig in andere Europese uitgaven wordt gesneden. De miljarden uit het coronafonds werden tijdens de crisis als subsidies en leningen verdeeld. Nu de aflossing dichterbij komt, moet blijken wie uiteindelijk de rekening betaalt. Zoals Hoogduin het samenvat: „Landen mogen dit best voelen. Dat is nou eenmaal de consequentie van het lenen van veel geld.”
















































