Sylvana Simons hekelt kritiek op woke: ‘Een rookgordijn’

Sylvana Simons verzet zich tegen het idee dat links kiezers heeft weggejaagd door te veel nadruk te leggen op thema’s die als ‘woke’ worden gezien. Volgens de voormalig BIJ1-leider wordt woke ten onrechte aangewezen als verklaring voor de problemen van links. In een column voor OneWorld draait ze de kritiek om: niet woke, maar jarenlang politiek falen zou links hebben verzwakt.
Lees ook

Linkse zangeres stuurt alle 'witte mannen' weg voor podium: VPRO krijgt felle kritiek
Simons mengt zich daarmee in een terugkerende discussie. Critici stellen dat linkse partijen zich te veel zijn gaan bezighouden met identiteit, taal, diversiteit en representatie. Onderwerpen als lonen, woningen, zorg en bestaanszekerheid zouden daardoor naar de achtergrond zijn verdwenen. Simons vindt die verklaring veel te eenvoudig.
Volgens haar worden onder de term woke bovendien allerlei verschillende onderwerpen bij elkaar geveegd. Ze noemt onder meer antiracisme, feminisme, de emancipatie van lhbti’ers, dekoloniale kritiek en de positie van mensen met een beperking. In haar ogen gaat het grotendeels om oude emancipatiebewegingen die tegenwoordig andere woorden gebruiken.
‘Woke’ als verzamelterm
Simons vindt dat het begrip inmiddels zo breed wordt gebruikt dat nauwelijks nog duidelijk is wat ermee wordt bedoeld. Woke kan volgens haar tegelijkertijd slaan op universiteiten, sociale media, identiteitspolitiek, taalgebruik en discussies over vrijheid van meningsuiting.
“Het woord is zo ver opgerekt dat het nauwelijks nog iets betekent. Of beter gezegd: het betekent precies genoeg om het verdacht te maken”, schrijft ze.
Ook de kritiek op intersectionaliteit wijst ze af. Daarbij wordt gekeken naar de manier waarop verschillende kenmerken en vormen van achterstelling elkaar kunnen overlappen. Een arme vrouw met een migratieachtergrond kan bijvoorbeeld met andere problemen te maken krijgen dan iemand die alleen economisch kwetsbaar is.
Volgens Simons wordt zo’n benadering te gemakkelijk als ideologie weggezet. Voor haar is het vooral een manier om maatschappelijke verschillen te analyseren.
Kritiek op ‘identiteitspolitiek’
Ook het verwijt dat woke vooral om identiteitspolitiek draait, overtuigt Simons niet. Ze wijst erop dat politieke partijen voortdurend groepen aanspreken op hun identiteit. Ze noemt onder anderen boeren, ondernemers, christenen, belastingbetalers en de ‘gewone man’.
Het verschil zit volgens haar vooral in welke identiteit als normaal wordt gezien. Simons haalt daarbij een eerdere uitspraak van Gloria Wekker aan: “Alsof witte mensen niet altijd al aan identiteitspolitiek doen. Dan wordt het gewoon niet benoemd.”
Simons verzet zich daarnaast tegen de gedachte dat links eerst economische onderwerpen zou moeten aanpakken en emancipatiekwesties voorlopig minder belangrijk zou moeten maken. Volgens haar zijn beide juist met elkaar verbonden. Armoede, arbeidsvoorwaarden en bestaanszekerheid kunnen volgens haar niet volledig los worden gezien van bijvoorbeeld afkomst of geslacht.
‘Arbeider was nooit alleen arbeider’
Daarmee komt ze bij een veelgehoord verwijt aan links: de traditionele arbeider zou zijn ingeruild voor hogeropgeleide stedelijke kiezers en minderheden. Ook dat beeld vindt Simons te simpel.
“De arbeider die links zegt te hebben verloren, was nooit alleen maar arbeider”, schrijft ze. Zo'n kiezer kon volgens haar tegelijkertijd “vrouw zijn, zwart, moslim, queer, gehandicapt, ongedocumenteerd, alleenstaande ouder, mantelzorger”.
De problemen van links begonnen volgens Simons bovendien veel eerder dan de huidige discussies over woke. Ze wijst op verzwakte vakbonden, de invloed van marktdenken en linkse partijen die volgens haar steeds meer bestuurspartijen werden. Links verloor volgens haar dus niet omdat activisten nieuwe woorden voor uitsluiting gingen gebruiken, maar omdat partijen onvoldoende duidelijk maakten waarvoor zij politiek wilden strijden.
Simons erkent uitwassen
Toch stelt Simons niet dat alles wat onder woke wordt geschaard boven kritiek verheven is. Ze erkent dat emancipatiebewegingen zelf ook problemen kunnen veroorzaken. Er kunnen volgens haar gesloten groepen ontstaan, ingewikkeld taalgebruik kan mensen afschrikken en “morele stelligheid” kan een normaal gesprek in de weg zitten.
Ze vindt echter dat dergelijke problemen buitenproportioneel veel aandacht krijgen. Volgens haar worden tekortkomingen van jonge emancipatiebewegingen sneller als een maatschappelijke crisis behandeld dan het falen van gevestigde politieke partijen.
‘Wie mag eigenlijk beoordelen of emancipatie te ver gaat?’
Aan het einde van haar column wordt Simons scherper. Ze vraagt zich af wie eigenlijk bepaalt wanneer emancipatie doorschiet. Daarbij richt ze zich expliciet op de positie van witte mannen.
“En is het aan de witte, geprivilegieerde man om de successen of mislukkingen van woke vast te stellen?”, vraagt ze. Volgens Simons moet het oordeel minstens ook komen van mensen die naar eigen zeggen lange tijd onvoldoende werden gehoord.
Haar conclusie is dan ook dat woke niet verantwoordelijk is voor de crisis van links. Simons noemt het juist “een rookgordijn”. Links zou volgens haar economische ongelijkheid en emancipatie niet tegenover elkaar moeten zetten, maar gezamenlijk moeten aanpakken.
De column eindigt met een nog stelliger oordeel over de tegenstanders van woke. “Het bezwaar tegen woke is dat we gingen van ‘mag ik ook iets zeggen?’ naar ‘ik praat en beslis mee’. Die emancipatie is niet de bedoeling. Wie nu nog afgeeft op woke gedijt simpelweg comfortabel in de status quo.”






















































