Minister wil Kamer passeren met uitbreiding anti-discriminatiebevoegdheden

De Raad van State haalt hard uit naar een plan van minister Pieter Heerma van Binnenlandse Zaken om buiten het parlement om de bevoegdheden van Nederlandse antidiscriminatie-instanties uit te breiden. Het kabinet wil daarvoor een zelfstandige algemene maatregel van bestuur gebruiken. Zo’n besluit kan zonder voorafgaande instemming van Tweede en Eerste Kamer worden ingevoerd. Volgens de Raad van State is daar in dit geval geen goede reden voor. Het advies is ondubbelzinnig: neem het besluit niet.
Lees ook

Na CDA komt ook VVD in verzet tegen beleid Van Essen: 'Dit ondermijnt het vertrouwen'
De aanleiding is een Europese richtlijn die Nederland uiterlijk op 19 juni had moeten uitvoeren. Die deadline werd niet gehaald. Heerma wil daarom tijdelijk via een zelfstandige AMvB regelen dat het College voor de Rechten van de Mens en de gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen ook kunnen optreden bij ongelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de sociale zekerheid. Een formele wet moet later alsnog volgen. Raad van State Juist die constructie gaat de Raad van State te ver.
‘Beschikbare tijd onvoldoende benut’
Normaal worden belangrijke nieuwe wettelijke regels door regering én parlement vastgesteld. Een zelfstandige AMvB is een uitzondering: het kabinet kan daarmee rechtstreeks op grond van de Grondwet regels vaststellen, zonder dat daar eerst een wet van Tweede en Eerste Kamer onder ligt.
Volgens de Raad van State staat zo’n route daarom “op gespannen voet met het primaat van de wetgever”. Dat uitgangspunt houdt in dat belangrijke keuzes over rechten, plichten en bevoegdheden in beginsel door de democratisch gekozen wetgever worden gemaakt. Zelfstandige AMvB’s horen volgens de Raad alleen thuis in uitzonderlijke situaties en als tijdelijke noodoplossing.
Dat Nederland te laat is met Europese wetgeving is volgens de staatsraad geen noodsituatie die zo’n ingreep rechtvaardigt. De regering kende de Europese plannen al voordat de richtlijn werd aangenomen en had daarna twee jaar om de Nederlandse wet aan te passen.
De Raad legt de verantwoordelijkheid voor de ontstane haast dan ook nadrukkelijk bij het kabinet zelf: “De termijnoverschrijding is ontstaan doordat de beschikbare tijd onvoldoende is benut.” Een achterstand die door de overheid zelf is ontstaan, mag volgens de Raad niet vervolgens als reden worden gebruikt om het parlement buiten de procedure te houden.
Het eindoordeel behoort tot de zwaarste categorieën die de Raad bij een ontwerpbesluit kan geven: “De Afdeling advisering van de Raad van State heeft bezwaar tegen het ontwerpbesluit en adviseert dit besluit niet te nemen.” Heerma zou in plaats daarvan het gewone wetsvoorstel met spoed naar het parlement moeten sturen.
Wat krijgt het College erbij?
De inhoudelijke uitbreiding waarover de ruzie gaat, is beperkter dan het algemene Europese pakket rond discriminatie. Op dit moment kunnen het College voor de Rechten van de Mens en de antidiscriminatievoorzieningen niet in alle gevallen toetsen of mannen en vrouwen binnen de sociale zekerheid gelijk worden behandeld. De Europese richtlijn uit 2024 verplicht Nederland dat gat te dichten. Raad van State
Het College behandelt nu al grote aantallen discriminatiezaken. In 2025 onderzocht het 853 verzoeken om een oordeel en deed het 139 uitspraken. In 63 procent daarvan stelde het College discriminatie vast. De huidige oordelen zijn niet juridisch bindend, maar organisaties passen hun beleid er geregeld wel op aan; volgens het College nam in 2025 77 procent van de betrokken organisaties na een oordeel maatregelen.
Het kabinet vindt de uitbreiding op zichzelf noodzakelijk vanwege Europese verplichtingen. De Raad van State bestrijdt dat doel ook niet. Het conflict gaat over de manier waarop Heerma het nu wil regelen.
Onderdeel van veel bredere uitbreiding
Tegelijk staat de tijdelijke maatregel niet op zichzelf. Heerma werkt dit jaar aan meerdere veranderingen waarmee de rol van antidiscriminatie-instanties groter wordt.
Zo wil het kabinet de Algemene wet gelijke behandeling uitbreiden naar zogenoemd eenzijdig overheidshandelen. Daarmee zouden burgers straks ook bij het College kunnen aankloppen over bijvoorbeeld belastingheffing, vergunningen, subsidies en controles door de overheid. Nu valt een groot deel van dat typische overheidshandelen nog buiten de werking van de wet. Heerma kondigde daarvoor in maart een normaal wetgevingstraject aan.
Daarnaast ligt er een afzonderlijk wetsvoorstel voor een nieuwe landelijke structuur rond discriminatiemeldingen. Het huidige stelsel van gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen moet plaatsmaken voor één landelijk georganiseerde voorziening, met lokale meldpunten en financiering vanuit het Rijk. Ook dat traject loopt via wetgeving en consultatie.
Die bredere plannen moeten wel worden onderscheiden van het besluit dat de Raad van State nu afwijst. De omstreden AMvB gaat specifiek over het ontbrekende Europese onderdeel rond gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid. Zaken als een bredere toetsing van de overheid worden via aparte wetsvoorstellen geregeld.
Europese deadline haalt kabinet zelf niet
De kritiek van de Raad draait daardoor uiteindelijk minder om discriminatiebeleid dan om de positie van het parlement. Nederland steunde de Europese versterking van gelijkebehandelingsorganen zelf. Het kabinet wist bovendien al geruime tijd dat de Nederlandse wetgeving op het punt van sociale zekerheid moest worden aangepast. In maart schreef Heerma zelf aan de Kamer dat juist op dit terrein nog een wijziging nodig was om aan Richtlijn 2024/1499 te voldoen.
Toch verstreek de Europese deadline van 19 juni zonder dat die wetgeving gereed was. Heerma probeerde dat daarna met een tijdelijke maatregel te repareren, terwijl een regulier wetsvoorstel volgens de eigen toelichting al wordt voorbereid en nog in 2026 moet worden ingediend. Voor de Raad van State is juist dat doorslaggevend: tijdsdruk die is ontstaan doordat de regering haar beschikbare twee jaar niet voldoende gebruikte, is geen rechtvaardiging om de volksvertegenwoordiging tijdelijk over te slaan.
Het kabinet kan een advies van de Raad van State naast zich neerleggen, maar zal dan moeten uitleggen waarom het dat doet. Vooralsnog is de boodschap uit de Kneuterdijk ongebruikelijk helder: als Heerma antidiscriminatie-instanties deze extra wettelijke bevoegdheid wil geven, moet hij daarvoor de gewone parlementaire route nemen.















































