NAVO-taken blijken rampzalig voor Nederlands spoor: één militaire trein vergt ruim 70 stappen en 30 partijen

Nederland heeft binnen de NAVO een belangrijke taak als toegangspoort voor militair materieel richting Duitsland en Oost-Europa. Maar het spoor is nog niet ingericht op de grote aantallen militaire treinen die in een crisis nodig kunnen zijn. Voor één militaire treinreis zijn meer dan dertig organisaties en ruim zeventig processtappen nodig. De werkwijze leunt bovendien sterk op persoonlijke contacten. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS), uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Juist van dat onderzoek krijgt de Tweede Kamer niet het volledige rapport te zien. Staatssecretaris Annet Bertram schrijft in haar Kamerbrief dat zij het “bijgaand rapport ‘De reis van de militaire trein’” aanbiedt. Openbaar is echter alleen een managementsamenvatting van zes pagina's. Uit een afzonderlijke ambtelijke beslisnota blijkt waarom: het eigenlijke rapport is gerubriceerd vanwege informatie over de processen. Ook drie schema's die precies laten zien hoe militaire transporten verlopen, blijven geheim omdat zij een totaalbeeld geven.
De brief werd vlak voor het commissiedebat over spoorgoederenvervoer van afgelopen donderdag naar de Kamer gestuurd. Ondertussen doet de Kamer zelf onderzoek naar militaire mobiliteit. VVD'er Peter de Groot en De Hoop van PRO zijn daarvoor rapporteur en op 12 oktober staat een werkbezoek aan Brussel gepland. Voor zover uit de openbare stukken blijkt, heeft Bertram de Kamer geen vertrouwelijke inzage in het volledige HCSS-rapport aangeboden.
Van haven tot Duitse grens: tientallen schakels
Nederland is door zijn havens en spoorverbindingen belangrijk voor de verplaatsing van NAVO-materieel. Denk bijvoorbeeld aan Amerikaanse voertuigen die per schip aankomen en vervolgens per trein via Nederland naar Duitsland gaan. Dat heet Host Nation Support: Nederland moet bondgenoten die hier aankomen of doorheen reizen logistiek ondersteunen.
Op papier lijkt een treinrit eenvoudig. In de praktijk moet eerst een lange keten worden doorlopen. De militaire behoefte moet worden vertaald naar een uitvoerbaar transport. Er moeten treinpaden en vergunningen zijn. De terminal moet beschikbaar zijn. Voertuigen moeten worden geladen en gecertificeerd. Locomotief en machinist moeten klaarstaan. Documenten moeten kloppen, beveiliging moet geregeld zijn en ook de overdracht naar Duitsland moet zijn voorbereid.
Daarbij zijn onder meer Defensie, ProRail, vervoerders, terminals, de Inspectie Leefomgeving en Transport, de NCTV, het Nationaal CrisisCentrum, politie, Koninklijke Marechaussee, veiligheidsregio's en buitenlandse spoorpartijen betrokken. HCSS telt uiteindelijk meer dan dertig partijen en meer dan zeventig processtappen.
Onder normale omstandigheden lukt dat. HCSS benadrukt dat de Nederlandse keten in vredestijd functioneert. Het probleem ontstaat bij opschaling. Het huidige systeem is vooral gemaakt voor losse militaire transporten die vooraf kunnen worden gepland. Bij meerdere urgente treinen tegelijk neemt de druk snel toe.
Volgens HCSS “leunt” de keten sterk op “ervaring en individuele contacten”. Procedures, vergunningen, capaciteit en informatie moeten daarom veel verder worden gestandaardiseerd.
Duitse grens blijft knelpunt
Een van de grootste risico's ligt opvallend genoeg niet diep in Nederland, maar bij de grens. Nederlandse vergunningen en afspraken over voorrang gelden niet automatisch in Duitsland. Ook moeten soms locomotieven of machinisten worden gewisseld en sluiten dienstregelingen niet goed op elkaar aan.
HCSS noemt de grensovergang daarom een “structureel risicopunt”. Bij een crisis kan Nederland zijn eigen proces dus versnellen, terwijl de militaire trein vervolgens alsnog aan de Duitse kant vertraging oploopt. De onderzoekers adviseren vaste grensafspraken te maken in plaats van de overdracht bij ieder transport opnieuw te organiseren.
Op dat punt zit een opvallend contrast met de internationale positie van Nederland. Nederland trekt binnen het Europese PESCO-samenwerkingsverband juist het project dat grensoverschrijdend militair vervoer eenvoudiger moet maken. Volgens Defensie kunnen vergunningen aan grenzen nu soms dagen kosten.
Waarschuwing lag er vorig jaar al
De problemen zijn bovendien niet nieuw. Het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving waarschuwde in oktober 2025 al dat het Nederlandse spoor in de huidige vorm geen structurele stijging van militair vervoer aankan zonder grote gevolgen voor reizigers en goederenvervoer.
Bij breed of zwaar militair materieel kan het spoor ernaast tijdelijk buiten gebruik moeten worden gesteld. Volgens dat onderzoek kan één militaire trein het gewone vervoer over een complete corridor tot drie uur lamleggen. Bij meerdere militaire treinen kan het civiele treinverkeer volgens de onderzoekers feitelijk tot stilstand komen.
Het spoor voldoet daarnaast nog niet overal aan de militaire eisen. Er zijn knelpunten met het gewicht dat infrastructuur aankan, doorrijhoogtes en de ruimte voor buitengewoon brede ladingen. Ook zijn haven- en rangeerterreinen niet overal berekend op grote hoeveelheden militaire treinen.
Die problemen raken uiteindelijk ook de gewone reiziger. Het eerdere rapport waarschuwt dat een sterke groei van militaire transporten overdag tot forse verdringing kan leiden. Treinen van burgers en bedrijven krijgen dan minder ruimte.
Oud onderzoek vroeg minimaal 600 miljoen
Ook over de rekening zit spanning tussen de verschillende stukken. Het OFL kwam vorig jaar tot de conclusie dat extra geld noodzakelijk is. Alleen een eerste maatregelenpakket voor de weerbaarheid van het spoor en militaire mobiliteit werd geraamd op 600 miljoen euro inclusief btw. Daaronder vallen onder meer meer ruimte in havengebieden, langere sporen, betere grensovergangen, beveiliging en voorzieningen om na sabotage sneller weer treinen te kunnen laten rijden.
Het rapport is expliciet over de financiële ruimte: binnen het bestaande basiskwaliteitsniveau voor het spoor zit volgens de onderzoekers geen geld om de extra weerbaarheidsmaatregelen te betalen. “Investeringen in weerbaarheid en militaire mobiliteit vragen om extra middelen”, luidt de conclusie.
In de recente beslisnota bij het HCSS-onderzoek klinkt het ministerie een stuk terughoudender. De nieuwste aanbevelingen zouden vooral draaien om het verbeteren van processen en worden daarom vooralsnog uitgevoerd “via bestaande middelen”. Alleen wanneer later toch extra geld nodig blijkt, wordt daar opnieuw naar gekeken.
Dat is niet per se een directe tegenspraak: het OFL onderzocht ook fysieke spoorinfrastructuur en weerbaarheid, terwijl HCSS zich nu vooral richt op de organisatie van één militaire treinreis. Tegelijk zegt HCSS zelf dat betere afspraken alleen niet genoeg zijn. Volgens de onderzoekers is ook structurele versterking nodig van capaciteit, systemen, infrastructuur en kennis.
‘Militair Schengen’ tegenover Nederlandse praktijk
Die kwetsbare Nederlandse praktijk staat tegenover grote Europese ambities. Brussel werkt aan wat de Europese Commissie zelf een “militair Schengengebied” noemt. Militair materieel moet veel sneller door Europa kunnen bewegen, met eenvoudigere vergunningen, voorrang in noodsituaties en betere infrastructuur. Voor de Europese begroting vanaf 2028 heeft de Commissie 17,65 miljard euro voorgesteld voor militaire mobiliteit via het Connecting Europe Facility-programma.
Nederland werkt ondertussen aan een nieuw Nationaal Plan Militaire Mobiliteit voor 2027 tot en met 2031. De uitkomsten van HCSS worden daarin meegenomen. Het plan moet begin volgend jaar naar de Kamer.
Daarmee blijft voorlopig een duidelijke kloof bestaan tussen ambitie en uitvoering. Nederland moet als NAVO-doorvoerland in een crisis snel grote hoeveelheden militair materieel richting het oosten kunnen sturen. In vredestijd lukt het om afzonderlijke transporten te organiseren. Maar zodra meerdere militaire treinen tegelijk moeten rijden, waarschuwen zowel HCSS als het eerdere OFL-onderzoek voor knelpunten in capaciteit, mensen, procedures en grensovergangen.
Hoe die kwetsbaarheden in het volledige proces precies samenkomen, kan de Tweede Kamer vooralsnog niet controleren aan de hand van het volledige onderzoek. De openbare samenvatting telt de meer dan zeventig stappen. De gedetailleerde routekaart daarachter blijft gerubriceerd.

















































