Kabinet ontwijkt oordeel over omstreden transgenderzorg voor kinderen

Het kabinet wil nog geen inhoudelijk oordeel geven over de kritiek op het Dutch Protocol, de Nederlandse aanpak voor transgenderzorg bij minderjarigen. Dat blijkt uit antwoorden van VWS-minister Sophie Hermans op Kamervragen van SGP-Kamerlid Diederik van Dijk. In plaats daarvan schuift het kabinet de kwestie door naar de Gezondheidsraad.
Aanleiding is een kritisch wetenschappelijk artikel met de titel 'Three decades of Dutch Protocol research has not produced reliable evidence'. Daarin stellen de auteurs dat dertig jaar onderzoek naar het Dutch Protocol geen betrouwbaar bewijs heeft opgeleverd voor betere mentale gezondheid bij minderjarigen.
Hermans erkent dat er nationaal en internationaal discussie bestaat over puberteitsremmers en genderbevestigende hormonen bij jongeren. Maar zij wil niet vooruitlopen op het advies van de Gezondheidsraad. Dat advies wordt eind juni 2026 verwacht.
Kabinet blijft op afstand
Van Dijk vroeg de minister hoe zij de harde kritiek op de wetenschappelijke onderbouwing beoordeelt. Hermans antwoordt dat de discussie “zorgvuldig, feitelijk en met oog voor de betrokken jongeren” moet worden gevoerd.
Tegelijk legt zij de verantwoordelijkheid niet bij het kabinet, maar bij artsen, zorgaanbieders en andere veldpartijen. Volgens de minister ligt “het primaat voor de kwaliteit van zorg” bij het zorgveld, omdat het om medisch-inhoudelijke keuzes gaat.
Daarmee kiest het kabinet voor afstand. De overheid zegt niet zelf te bepalen of het Dutch Protocol nog verantwoord is. Dat moeten volgens Hermans de professionals doen via kwaliteitsstandaarden.
Advies moet duidelijkheid geven
Van Dijk wilde weten of het kabinet erkent dat de onderbouwing van de behandelingen “uiterst kwestieus” is. Ook daarop geeft Hermans geen hard oordeel. Zij wijst opnieuw naar de Gezondheidsraad.
Die moet in kaart brengen wat bekend is over de gevolgen van puberteitsremmers en hormoonbehandelingen voor de fysieke en mentale gezondheid. Ook spijt en detransitie moeten daarbij worden meegenomen.
Het kabinet wil de uitkomst van dat advies afwachten. Dat is opvallend, omdat andere landen hun beleid al hebben aangepast. Finland, Zweden, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk zijn terughoudender geworden met medische behandelingen bij minderjarigen. In sommige landen zijn puberteitsremmers buiten onderzoek grotendeels of helemaal stopgezet.
Van Dijk vroeg waarom Nederland dan nog vasthoudt aan het Dutch Protocol. Hermans verwijst ook daar kort naar eerdere antwoorden: het kabinet wacht op de Gezondheidsraad.
Geen landelijke registratie
Een van de meest gevoelige punten is dat Nederland geen volledig landelijk registratiesysteem heeft voor uitkomsten van behandelde jongeren. Hermans bevestigt dat.
Volgens haar is er “geen landelijk dekkend registratiesysteem” waarin alle gezondheidsuitkomsten, complicaties, spijt en detransitie van behandelde jongeren structureel en langdurig worden bijgehouden.
Wel worden bij Amsterdam UMC doorlopend gegevens verzameld voor wetenschappelijk onderzoek. Ook noemt de minister de biobank van het Radboudumc en Europese registraties waaraan behandelcentra zijn aangesloten.
Maar een compleet nationaal overzicht is er dus niet. Daarmee raakt Van Dijk aan een kernpunt van de kritiek: Nederland geeft behandelingen met mogelijk blijvende gevolgen, zonder dat alle lange termijnuitkomsten centraal worden bijgehouden.
Kwaliteitsstandaard opnieuw vertraagd
Ook de herziening van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg loopt forse vertraging op. Die had eerder al klaar moeten zijn, maar is opnieuw uitgesteld.
Volgens Hermans is de nieuwe deadline nu 30 september 2027. Dat komt onder meer door de tijd die nodig was voor evaluatie en door de beperkte beschikbaarheid van experts. De minister wijst erop dat de transgenderzorg een klein veld is, waarin veel wordt gevraagd van een beperkte groep deskundigen.
Voor critici is juist dat een probleem. Dezelfde kleine groep experts speelt een grote rol in zorg, onderzoek en richtlijnen. Van Dijk stelde eerder al vragen over de onafhankelijkheid van de Gezondheidsraadcommissie die het advies voorbereidt.
Overleden patiënt
Van Dijk vroeg ook naar een casus waarbij een 18-jarige patiënt overleed na complicaties bij een operatie. Volgens de vraag zou die operatie verband houden met onderontwikkeling van penis en scrotum na puberteitsremmers.
Hermans ontkent dat deze operatie onderdeel was van medisch-wetenschappelijk onderzoek naar het Dutch Protocol. Volgens haar ging het om reguliere behandeling. De casus is volgens het betrokken ziekenhuis wel als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en intern geëvalueerd.
Omdat het volgens de minister niet om wetenschappelijk onderzoek ging, hoefde de zaak niet bij een medisch-ethische toetsingscommissie te worden gemeld.
Ouders moeten goed worden geïnformeerd
De minister benadrukt dat jongeren en ouders vooraf goed moeten worden geïnformeerd. Volgens de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst moeten zorgverleners uitleg geven over het doel van de behandeling, de risico’s, alternatieven en vooruitzichten.
Ook vruchtbaarheid en toekomstige gezinsplanning moeten volgens veldpartijen tegenwoordig uitgebreid worden besproken.
Van Dijk vroeg of ouders en kinderen expliciet horen dat er volgens verschillende systematische reviews geen overtuigend bewijs is dat puberteitsremmers en hormonen suïcidaliteit of depressie verminderen. Hermans antwoordt dat relevante onzekerheden, risico’s en verwachte effecten moeten worden besproken.
Kabinet trekt geen grens
De scherpste vraag van Van Dijk was onder welke omstandigheden het kabinet zou concluderen dat deze behandelingen niet langer verantwoord zijn. Daar geeft Hermans geen inhoudelijke grens voor.
Volgens haar is het “niet aan het kabinet” om medisch-inhoudelijke conclusies te trekken over behandelprotocollen of wetenschappelijke publicaties. De overheid bemoeit zich niet met hoe zorgverleners zorg verlenen, zolang het om medisch-inhoudelijke overwegingen gaat.
Daarmee blijft de verantwoordelijkheid bij veldpartijen liggen. Het kabinet erkent de discussie, maar neemt zelf geen positie in voordat de Gezondheidsraad spreekt.






















































