Raad van State wil ministers sneller geld laten uitgeven zonder expliciete Kamergoedkeuring

De Raad van State wil de regels versoepelen waarmee ministers geld kunnen uitgeven voordat een begrotingswijziging door beide Kamers is goedgekeurd. Nu moeten Tweede en Eerste Kamer eerst actief aangeven dat zij zich voldoende geïnformeerd achten. De Raad stelt voor dat na een vaste termijn juist het omgekeerde geldt: als de Kamers niet protesteren, mag de minister doorgaan. Opvallend is dat precies die parlementaire waarborg in 2023 werd aangescherpt door Eelco Heinen, destijds VVD-Kamerlid en tegenwoordig minister van Financiën.
Het advies verscheen maandag en gaat over een bredere wijziging van de Comptabiliteitswet. Het wetsvoorstel van Heinen verandert artikel 2.27 zelf niet. De Afdeling advisering brengt het onderwerp uit eigen beweging ter sprake.
Eerst actief akkoord van de Kamer
Artikel 2.27 gaat niet over de gewone jaarlijkse begroting, maar over nieuw beleid in suppletoire begrotingen: tussentijdse wijzigingen van een lopende begroting.
In uitzonderlijke gevallen kan een minister al beginnen voordat zo'n wijziging formeel door het parlement is aangenomen. Sinds de aanscherping van 2023 gelden daarvoor extra voorwaarden. De minister moet motiveren waarom wachten niet in het belang van het Rijk is. Bovendien moeten de Staten-Generaal zelf aangeven dat zij voldoende zijn geïnformeerd.
Die laatste eis kwam rechtstreeks uit een amendement van Heinen. Hij vond dat kabinetten de uitzondering “te vaak en onnodig” gebruikten en daarmee het budgetrecht van het parlement verzwakten. Zijn doel was juist om “de rol van de Staten-Generaal” te versterken.
Raad van State: huidige situatie ‘onwenselijk’
De Raad van State ziet een praktisch probleem. Zolang een van beide Kamers geen oordeel geeft, kan volgens de huidige regeling “voor onbepaalde tijd onduidelijkheid” blijven bestaan over de vraag of een minister verder mag. Dat noemt de Afdeling “onwenselijk”.
Daarom stelt zij een constructie voor die lijkt op een voorhangprocedure. Tweede en Eerste Kamer krijgen een vaste periode om bezwaar te maken. Als die termijn verloopt zonder tegenbericht, kan de bewindspersoon verder. Alleen als een van beide Kamers binnen die periode bezwaar maakt, blijft de uitvoering tegengehouden.
Een concrete lengte voor die termijn noemt de Raad niet. Volgens het advies kan dit systeem worden ingevoerd “met behoud van het parlementaire budgetrecht”.
Feitelijk verschuift daarmee wel het initiatief. Nu is een actief oordeel van het parlement nodig. In het voorgestelde model wordt stilzwijgen na het verstrijken van de termijn voldoende.
Heinen voerde de waarborg zelf in
De voorgeschiedenis maakt het advies opvallend. Heinen was in 2023 als Kamerlid juist de drijvende kracht achter de strengere regeling. Zijn amendement bepaalde dat de minister niet alleen de spoed moest motiveren, maar dat beide Kamers vervolgens zelf moesten aangeven of zij voldoende waren geïnformeerd. Daarmee moest het kabinet minder makkelijk vooruit kunnen lopen op parlementaire toestemming.
Als minister erkende Heinen vorig jaar dat die aanscherping effect had gehad. “Het gebruik van artikel 2.27 is vorig jaar naar nul gegaan”, zei hij in september 2025. Tegelijk noemde hij zijn eerdere oplossing toen een “wat ruigere variant” en zei hij dat bij een volgende herziening kon worden bekeken of de regeling “niet toch weer verzacht moet worden”.
Het advies van de Raad sluit dus aan bij een discussie die Heinen inmiddels zelf ook heeft geopend.
Van Oekraïne-steun tot treinkaartje
Artikel 2.27 wordt gebruikt voor besluiten waarbij grote bedragen gemoeid kunnen zijn. In december 2025 wilde het kabinet bijvoorbeeld ongeveer 700 miljoen euro extra militaire steun aan Oekraïne beschikbaar stellen voordat de suppletoire Defensiebegroting formeel was goedgekeurd. De Eerste Kamer moest toen expliciet uitspreken dat zij zich voldoende geïnformeerd achtte.
Ook bij het landelijke treinkaartje van 49 euro deed het kabinet in mei 2026 een beroep op artikel 2.27. De Eerste Kamer stemde ermee in dat de procedure kon worden gebruikt.
In 2021, tijdens de coronacrisis, werd de uitzonderingsroute nog tientallen keren gebruikt. Juist die ruime toepassing leidde uiteindelijk tot de politieke roep om het budgetrecht van het parlement sterker te beschermen.
Advies is nog geen nieuwe wet
Voorlopig verandert er niets. Het gaat om een advies van de Raad van State en niet om een reeds aangenomen wetswijziging. Het huidige wetsvoorstel bevat de voorgestelde zwijgtermijn bovendien nog niet.
Minister Heinen moet in het nader rapport laten weten wat hij met de aanbeveling doet. Neemt hij haar over, dan zou een waarborg die hij drie jaar geleden zelf als Kamerlid in de wet zette opnieuw worden aangepast: van eerst expliciet groen licht van het parlement naar groen licht zolang het parlement binnen een vastgestelde termijn geen bezwaar maakt.





















































