Meeste Nederlanders willen rem op transgenderzorg voor kinderen

Bijna twee derde van de Nederlanders vindt dat Nederland terughoudender moet worden met medische genderbehandelingen voor minderjarigen. Dat blijkt uit een onderzoek van Peil.nl onder 4.179 Nederlanders. Vooral over puberteitsblokkers en hormonen bestaat veel terughoudendheid. Tegelijk lopen de opvattingen tussen politieke groepen sterk uiteen.
De peiling werd eind juli en begin augustus uitgevoerd. Aanleiding was een opiniestuk in Trouw over genderzorg voor minderjarigen. Peil.nl legde Nederlanders vervolgens zes vragen voor. Die gingen onder meer over de voorspelbaarheid van een genderwens, medische behandelingen, de rol van ouders en de koers die Nederland zou moeten volgen.
Weinig vertrouwen in voorspelling artsen
Een van de opvallendste uitkomsten gaat over de vraag of artsen betrouwbaar kunnen voorspellen of de wens van een minderjarige om van geslacht te veranderen blijvend is. Slechts 19 procent denkt dat dit kan. Nog eens 23 procent antwoordt dat dit soms mogelijk is. Dertig procent denkt dat artsen dit niet betrouwbaar kunnen voorspellen. Daarnaast zegt 17 procent dat veranderen van geslacht überhaupt niet mogelijk is.
Achter die cijfers zit een zeer grote politieke kloof. Van de PRO-stemmers heeft 50 procent vertrouwen in zo'n voorspelling. Bij D66 is dat 46 procent. Onder VVD-stemmers is dat nog 7 procent. Bij JA21 gaat het om 5 procent, bij de PVV om 4 procent en bij FVD om slechts 1 procent.
Ook opleiding speelt een duidelijke rol. Onder mensen met een afgeronde hbo- of wo-opleiding denkt 35 procent dat artsen zo'n blijvende wens betrouwbaar kunnen voorspellen. Onder mensen met mavo of havo is dat 7 procent.
Grote meerderheid kiest eerst voor psychologische hulp
Op één onderdeel blijken Nederlanders veel minder verdeeld. Wanneer jongeren met genderdysforie ook andere problemen hebben, kiest 75 procent ervoor om eerst psychologisch te onderzoeken welke problemen de jongere ervaart. Slechts 5 procent kiest in die situatie voor een medische behandeling met puberteitsblokkers. Twintig procent weet het niet.
Volgens het onderzoek is dit ook de vraag waarop politieke groepen het dichtst bij elkaar komen. Zelfs onder PRO-stemmers kiest 57 procent voor de psychologische route. Bij VVD en JA21 is dat 86 procent.
Meer verdeeldheid ontstaat wanneer wordt gevraagd welk risico het zwaarst moet wegen bij onzeker bewijs over de uitkomsten van behandelingen. Voor 35 procent is dat voorkomen dat een minderjarige te vroeg een behandeling met blijvende gevolgen krijgt. Nog eens 28 procent kiest voor het helpen accepteren van lichaam en geslacht. Voor 24 procent moet juist worden voorkomen dat jongeren te lang wachten op een behandeling die mogelijk helpt.
Bijna helft wil ouders vetorecht geven
Ook de zeggenschap van ouders verdeelt Nederland. Van de ondervraagden vindt 47 procent dat ouders puberteitsblokkers of hormonen voor hun minderjarige kind moeten kunnen weigeren. Volgens 32 procent moet een kind daar vanaf zestien jaar zelf over kunnen beslissen. Acht procent wil die zelfstandige keuze al vanaf twaalf jaar mogelijk maken.
Opnieuw zijn de politieke verschillen fors. Van de FVD-kiezers wil 81 procent ouders het recht geven zo'n behandeling te weigeren. Onder PVV-stemmers is dat 68 procent, bij JA21 66 procent, bij de VVD 57 procent en bij het CDA 55 procent. Onder D66- en PRO-kiezers gaat het om respectievelijk 16 en 12 procent.
44 procent: geslacht veranderen kan niet
De deelnemers kregen ook een vraag voorgelegd over puberteitsblokkers, hormonen en latere operaties en de blijvende lichamelijke gevolgen daarvan. Daarop zegt 26 procent dat daarmee het lichaam het gewenste uiterlijk kan krijgen. Een grotere groep van 44 procent antwoordt dat een mens volgens hen niet daadwerkelijk van geslacht kan veranderen en dat deze behandelingen daarom geen zin hebben. Dertig procent geeft geen antwoord of weet het niet.
Ook hier lopen de politieke werelden ver uiteen. Van de PRO-stemmers ziet 59 procent de behandelingen als een manier om het gewenste uiterlijk te bereiken. Bij D66 is dat 57 procent. Onder FVD-stemmers is dat slechts 3 procent. Omgekeerd zegt 81 procent van de FVD-kiezers dat veranderen van geslacht niet kan. Bij PRO is dat 6 procent.
65 procent wil Nederland op de rem
De duidelijkste landelijke meerderheid komt naar voren bij de slotvraag. Daarbij werd de deelnemers voorgelegd dat Engeland, Zweden en Finland veel terughoudender zijn geworden met deze behandelingen. Vervolgens werd gevraagd of Nederland hetzelfde moet doen.
Daarop antwoordt 65 procent bevestigend. Zeventien procent wil niet dat Nederland terughoudender wordt en 18 procent weet het niet. Daarmee zijn er volgens de peiling bijna vier voorstanders voor iedere tegenstander.
Onder FVD-kiezers wil 93 procent een terughoudender koers. Bij JA21 is dat 88 procent en bij de PVV 86 procent. Ook onder VVD- en CDA-stemmers bestaat met respectievelijk 82 en 76 procent een ruime meerderheid. D66 en PRO wijken sterk af: daar is respectievelijk 33 en 22 procent voor meer terughoudendheid.
Ook leeftijd en opleiding maken verschil. Onder mensen met mavo of havo wil 83 procent een terughoudender beleid. Onder afgestudeerde hbo'ers en wo'ers is dat 49 procent. Toch is ook binnen die laatste groep terughoudendheid het meest gekozen antwoord. In iedere onderzochte leeftijdsgroep is eveneens een meerderheid voor een voorzichtigere Nederlandse koers.
De peiling laat daarmee twee duidelijke scheidslijnen zien. Jongeren en hoger opgeleiden hebben gemiddeld meer vertrouwen in de medische route. Ouderen en lager opgeleiden zijn terughoudender. Politiek staan vooral PRO en D66 tegenover JA21, PVV en FVD, terwijl CDA en VVD bij meerdere vragen dichter bij het laatste blok liggen. Op één punt is de afstand veel kleiner: vrijwel alle groepen kiezen bij bijkomende problemen in ruime meerderheid eerst voor psychologische hulp.






















































