NOS verzwijgt echte oorzaak van dalende homo-acceptatie onder jongeren

De NOS meldt dat de acceptatie van homoseksualiteit onder Nederlandse jongeren in vier jaar tijd hard is gedaald. In de zoektocht naar mogelijke oorzaken wijst de omroep onder meer op sociale media, conservatieve influencers, politici en de discussie over seksuele voorlichting. Eén opvallend gegeven uit het onderzoek waarop de NOS zich zelf baseert, blijft daarbij echter buiten beeld: jongeren met een migratieachtergrond staan gemiddeld duidelijk minder positief tegenover homoseksualiteit dan jongeren zonder migratieachtergrond.
Lees ook

D66-Kamerlid wil alle 60.000 Ceuta-bestormers in procedure nemen: "Europa is een rechtsstaat"
De cijfers uit het nieuwe HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut zijn stevig. Onder meisjes in het voortgezet onderwijs had in 2021 nog 78,1 procent een positieve houding tegenover homoseksualiteit. In 2025 was dat 51,3 procent. Bij jongens zakte het aandeel van 40,3 naar 22,3 procent. Ook het aantal scholieren dat denkt dat homoseksuele leerlingen daar op school eerlijk voor kunnen uitkomen, daalde fors.
De NOS legt in zijn bericht vooral nadruk op veranderingen in het maatschappelijke debat. Hoofdonderzoeker Gonneke Stevens wijst onder meer op discussies over seksuele diversiteit en de ophef rond Lentekriebels. Ook noemt het artikel influencers als Andrew Tate en de zogenoemde manosphere als mogelijke invloed. Tegelijk benadrukken de onderzoekers dat nog meer onderzoek nodig is voordat zulke ontwikkelingen als oorzaak van de daling kunnen worden aangewezen.
Migratieverschil staat wel degelijk in onderzoeksrapport
Wie het achterliggende HBSC-rapport erbij pakt, ziet nog een andere duidelijke samenhang. Van de onderzochte jongeren zonder migratieachtergrond heeft 40,1 procent een positieve houding tegenover homoseksualiteit. Bij jongeren met een migratieachtergrond is dat 31 procent. Ook denken jongeren met een migratieachtergrond minder vaak dat iemand op school open kan zijn over homoseksualiteit: 39,7 tegenover 47 procent. De verschillen zijn volgens de onderzoekers statistisch significant.

Dat gegeven ontbreekt volledig in het NOS-artikel. Dat is des te opvallender omdat HBSC migratieachtergrond uitdrukkelijk als een van de onderzochte achtergrondkenmerken noemt. In 2025 heeft ruim een kwart van de onderzochte scholieren zo'n achtergrond. De onderzoekers rekenen iemand tot die groep wanneer ten minste één ouder buiten Nederland is geboren. Ook laat HBSC zien dat de opvattingen over homoseksualiteit duidelijk verschillen naar migratieachtergrond.
Eerdere studie keek wél naar niet-westerse achtergrond
Oudere onderzoeken deden dat wel. In het HBSC-onderzoek uit 2017 werden jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond apart bekeken. Daar was het verschil aanzienlijk. Onder middelbare scholieren zonder migratieachtergrond had toen 61 procent een positieve houding tegenover homoseksualiteit. Onder scholieren met een niet-westerse migratieachtergrond was dat 40,2 procent. Ook dachten zij minder vaak dat homoseksuele leerlingen op school open konden zijn over hun geaardheid: 42,9 tegenover 56,4 procent.
Het Sociaal en Cultureel Planbureau kwam later tot vergelijkbare verschillen onder de bredere bevolking. In een onderzoek uit 2022 concludeerde het SCP dat Nederlanders met een Somalische, Marokkaanse en Turkse achtergrond gemiddeld relatief negatief over homoseksualiteit denken. Het SCP wees daarbij onder meer op religie als samenhangende factor. Tegelijk constateerde het instituut dat de houding binnen migrantengroepen in eerdere jaren juist positiever was geworden.
Daarmee is migratieachtergrond dus een relevante factor die in meerdere onderzoeken terugkomt. Het is echter iets anders om daaruit af te leiden dat migrantenjongeren dé oorzaak zijn van de plotselinge landelijke terugval tussen 2021 en 2025. Daarvoor biedt het nieuwe onderzoek geen bewijs.
Stevens zegt bovendien expliciet dat de recente verslechtering breder is. Tegen RTL Nieuws zei zij over de daling: “We zien die in alle groepen. Met en zonder migratieachtergrond, in alle onderwijsniveaus en in gezinnen met een lage en hoge welvaart.” Volgens haar komt de omslag dus niet uitsluitend uit één bevolkingsgroep.

























































