Burgemeester Utrecht zegt sorry voor wegmoffelen 4 mei-kransen bij Nakba-herdenking: 'Het spijt me zeer'

Burgemeester Sharon Dijksma heeft opnieuw verantwoordelijkheid genomen voor de omstreden gang van zaken rond de Nakba-herdenking in Utrecht. Bij die bijeenkomst op 15 mei legde zij samen met wethouder Linda Voortman namens het college een krans bij het Verzetsmonument op het Domplein. De kransen van de Nationale Dodenherdenking van 4 mei, die er nog stonden, werden toen achter het monument gezet om plaats te maken voor de Nakba-kransen. De gemeente erkende later dat dit niet had mogen gebeuren.
Dijksma kwam daar afgelopen donderdag tijdens een bijna twee uur durend debat opnieuw op terug, meldt DUIC. Ze erkende ook dat haar persoonlijke aanwezigheid de gevoeligheid van de bijeenkomst heeft vergroot. “Mijn aanwezigheid heeft inderdaad uitgemaakt en dat erken ik en daar draag ik verantwoordelijkheid voor”, zei ze. Over de verplaatste kransen was ze nog stelliger. Volgens haar doet het er uiteindelijk niet toe welke ambtenaar op welk moment welke beslissing nam. “Ik ben daar verantwoordelijk voor en niemand anders. Ik ben daar verantwoordelijk voor. En ik kan het niet terugdraaien. En dat spijt me zeer. Ik vond dat heel erg.”
Na een stevig debat over de aanwezigheid van de burgemeester en wethouder bij de Nakba-herdenking en het verplaatsen van de 4 mei-kransen, stelt de burgemeester zich kwetsbaar op en neemt zij hier verantwoordelijkheid voor. #JA21 waardeert dat en is blij met deze opstelling. pic.twitter.com/0uDAs5Vq0f
— JA21 Utrecht (@JA21UtrechtStad) September 19, 2026
Dijksma maakt daarbij wel onderscheid tussen de fout met de kransen en haar besluit om naar de Nakba-herdenking te gaan. Achter die aanwezigheid staat ze nog altijd. Volgens haar was het doel om verbinding te zoeken met Palestijnse inwoners van Utrecht en niet om namens de gemeente een politiek standpunt over Israël en de Palestijnse gebieden in te nemen. Ze zei dat andere burgemeesters een andere keuze hadden kunnen maken, maar dat zij het belangrijk vond zich op deze manier te laten zien.
Kransen hadden al weg moeten zijn
De pijnlijke situatie ontstond doordat de kransen van 4 mei langer bleven staan dan gebruikelijk. Volgens de gemeente worden bloemen en kransen normaal gesproken na ongeveer zeven tot tien dagen weggehaald. Dat was ditmaal niet gebeurd. Toen elf dagen na Dodenherdenking de Nakba-bijeenkomst plaatsvond, werden de oude kransen achter het Verzetsmonument gezet om ruimte te maken. Leden van UtrechtNu! zagen dit en brachten de 4 mei-kransen tijdens de bijeenkomst weer naar voren.
Juist de plek maakte de kwestie extra gevoelig. Het Verzetsmonument is een eerbetoon aan Utrechtse verzetsstrijders uit de Tweede Wereldoorlog. Dijksma had daar op 4 mei zelf nog een krans gelegd tijdens de Dodenherdenking. In de Tweede Kamer sprak de SGP later van kransen die voor de Nakba-herdenking waren “weggemoffeld”. Premier Rob Jetten koos andere woorden, maar noemde het verplaatsen wel een fout en “disrespectvol” tegenover de mensen die eerder die maand op dezelfde plek hadden herdacht.
De gemeente bood eerder al excuses aan en sprak van een “grote menselijke fout”. Inmiddels is ook het protocol aangepast. Er moet voortaan duidelijker zijn hoe lang kransen en andere voorwerpen na een herdenking bij een monument mogen blijven liggen en wanneer de gemeente ze verwijdert. Dijksma heeft na de ophef bovendien vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap uitgenodigd op het stadhuis. Volgens haar reageerden sommigen verdrietig en boos, terwijl anderen vooral wilden bespreken hoe herhaling kan worden voorkomen.
Ook organisatie van herdenking onder vergrootglas
De Nakba, Arabisch voor ‘catastrofe’, verwijst naar de massale vlucht van Palestijnen tijdens de oorlog van 1948 rond de stichting van Israël. Volgens de Verenigde Naties raakten toen meer dan 700.000 Palestijnen ontheemd. De gebeurtenis wordt ieder jaar op 15 mei herdacht.
Niet alleen de omgang met de 4 mei-kransen leidde in Utrecht tot vragen. Ook de organisaties rond de bijeenkomst kwamen ter sprake. Het gemeentebestuur wist vooraf dat de Palestijnse Gemeenschap Nederland (PGNL) erbij betrokken was. Onder meer JA21 en Utrecht Solidair stelden daar vragen over vanwege Amin Abou Rashed, die bij de oprichting van PGNL betrokken was en in de Verenigde Staten op een sanctielijst staat. Het Amerikaanse ministerie van Financiën bestempelde hem in juni 2025 als een belangrijke Hamas-functionaris in Europa en beschuldigde hem van fondsenwerving voor Hamas.
De AIVD schrijft ondertussen dat in Nederland een netwerk actief is dat volgens de dienst werkzaamheden verricht ten behoeve van Hamas. Dat netwerk houdt zich bezig met propaganda, lobby en fondsenwerving en is volgens de dienst ook betrokken bij bredere organisaties achter pro-Palestijnse en anti-Israëlische demonstraties.
























































