Kabinet wil omstreden spionagewet tegen burgers permanent maken

Een omstreden wet die de overheid vergaande bevoegdheden geeft om burgers te volgen en te beperken, moet definitief worden. Dat wil het kabinet, ondanks stevige kritiek én opvallend weinig gebruik in de praktijk. De regeling leidde eerder tot brede maatschappelijke onrust, omdat zij de overheid en inlichtingendiensten ruime mogelijkheden geeft om in te grijpen zonder strafrechtelijke veroordeling.
De Tijdelijke Wet werd in 2017 ingevoerd als tijdelijke maatregel tegen terrorisme. Later werd deze verlengd tot 2027. Nu wil het kabinet het tijdelijke karakter volledig schrappen. In de toelichting van het wetsvoorstel staat dat er een “blijvende noodzaak” is om maatregelen te kunnen nemen “ter bescherming van de nationale veiligheid”.
De wet maakt het mogelijk om mensen beperkingen op te leggen zonder dat zij strafrechtelijk zijn veroordeeld. Het gaat om ingrijpende maatregelen zoals een meldplicht, een gebiedsverbod, een contactverbod en een uitreisverbod.
De overheid kan deze inzetten als iemand volgens haar een risico vormt. Het criterium is dat iemand “in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan”. Dat betekent dat ingrijpen mogelijk is op basis van signalen en gedrag, nog voordat er sprake is van een strafbaar feit.
Volgens het kabinet is dat nodig, omdat het strafrecht niet altijd voldoende snel kan worden ingezet. De wet moet het mogelijk maken om eerder te handelen.
Onderzoekers kritisch over nut
Uit evaluatieonderzoek blijkt dat de wet nauwelijks wordt gebruikt. Sinds de invoering zijn slechts zestien maatregelen opgelegd aan elf personen. In de praktijk kiezen instanties vaak voor andere middelen, zoals strafrechtelijke vervolging of zorgtrajecten. Volgens onderzoekers is de wet daarom geen noodzakelijk instrument. Ook stellen zij dat niet is gebleken dat de maatregelen daadwerkelijk aanslagen hebben voorkomen. De effectiviteit blijft daarmee onduidelijk.
Het kabinet erkent deze kritiek, maar komt tot een andere conclusie. Volgens de regering zegt het beperkte gebruik weinig over de waarde van de wet. Juist in zeldzame gevallen kan het volgens haar het enige beschikbare middel zijn.
Eerdere ophef over bevoegdheden
De wet leidde bij invoering al tot veel maatschappelijke discussie. Critici vrezen dat de overheid te veel macht krijgt en burgers zonder duidelijke verdenking kan volgen of beperken.
In dat debat speelde ook het vertrek van toezichthouder Bert Hubert een rol. Hij stapte op uit onvrede over nieuwe wetgeving rond inlichtingendiensten en het afnemende toezicht. In een interview noemde hij dat een “compléte verschraling van het toezicht”.
Ook critici zoals Marianne Zwagerman waarschuwden eerder voor aantasting van grondrechten, zoals privacy en bewegingsvrijheid. Het kabinet stelt dat maatregelen alleen worden opgelegd na een zorgvuldige afweging en dat er rechtsbescherming is.
Onderzoek wegens Tijdelijke Wet
Tegelijkertijd staan ook de werkwijzen van de inlichtingendiensten zelf onder druk. De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) kondigde in 2024 een diepgaand onderzoek aan naar hoe de AIVD en MIVD omgingen met zogeheten bulkdatasets: grote hoeveelheden gegevens van miljoenen mensen, waarvan het merendeel geen direct verband houdt met concrete onderzoeken.
Met de Tijdelijke Wet was de eerdere verplichting geschrapt om deze gegevens na anderhalf jaar te vernietigen. De bewaartermijn on nu telkens worden verlengd. Volgens de CTIVD bracht dit een fors risico met zich mee voor de privacy van burgers. “De verwerking van bulkdatasets brengt een grote inbreuk op de privacy met zich mee,” waarschuwde de toezichthouder. Het onderzoek moest uitwijzen of de diensten zich aan de regels houden en of de bescherming van persoonsgegevens nog voldoende is.




















































