D66-minister zet Kamer buitenspel met akkoord over opvang statushouders

D66-minister Elanor Boekholt-O'Sullivan heeft met gemeenten, provincies en woningcorporaties een akkoord gesloten over versnelde huisvesting van statushouders zonder de Tweede Kamer vooraf om instemming te vragen. Uit de ambtelijke beslisnota blijkt dat de inhoud al was vastgesteld toen de stukken naar de Kamer gingen. Het akkoord treedt bovendien kort na ondertekening in werking.
De Tweede Kamer kreeg het akkoord op 16 oktober toegestuurd. In de bijbehorende beslisnota van 8 oktober stond nog maar één besluit voor de minister: instemmen met „de verzending van de stukken aan de Tweede Kamer” nadat de ministerraad akkoord was.
Over de inhoud hoefde toen niet meer te worden beslist. „Het akkoord is inhoudelijk eerder interdepartementaal afgestemd en vastgesteld”, staat in dezelfde nota. Geplakte tekst De officiële Kamerpagina bevestigt dat Boekholt-O'Sullivan de stukken op 16 oktober aan het parlement stuurde.
Akkoord gaat zonder Kamerstemming in
Het Akkoord Aanvullende Vormen van Huisvesting is gesloten tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en woningcorporatiekoepel Aedes. Volgens artikel 8 gaat het in op de dag nadat alle partijen hebben ondertekend en loopt het tot 1 juli 2028.
Een stemming in de Tweede Kamer is daarvoor niet nodig. Het gaat namelijk om een bestuurlijk akkoord en niet om een wet. Het document vermeldt ook expliciet dat de afspraken „niet in rechte afdwingbaar” zijn. De Kamer behoudt dus haar formele bevoegdheden over toekomstige wetgeving en begrotingen.
Toch worden in het akkoord wel concrete afspraken gemaakt over de huisvesting van statushouders en de inzet van overheidsgeld.
Gemeenten en corporaties moeten in de komende drie taakstellingsperioden voor 20 procent van de te huisvesten statushouders aanvullende woonvormen regelen. Volgens de stukken bestaat daarnaast een achterstand van ongeveer 8.800 statushouders. Begin juli zaten circa 12.300 statushouders langer dan veertien weken in een COA-locatie terwijl zij op huisvesting wachtten.
Opzegclausule bij verbod op voorrang
Opvallend is artikel 5. Daarin wordt expliciet vooruitgelopen op een mogelijke wet die de voorrang voor statushouders op sociale huur verbiedt.
Komt zo'n wet tot stand zonder voldoende rekening te houden met de uitvoerbaarheid en met bezwaren van onder meer de Raad van State of de betrokken partijen, dan geldt dat volgens het akkoord als „een legitieme grond” om op te zeggen. De opzegtermijn bedraagt drie maanden.
Dat betekent niet dat iedere wet tegen voorrang automatisch het akkoord beëindigt. De voorwaarden in artikel 5 zijn belangrijk. Maar opmerkelijk is wel dat juist Boekholt-O'Sullivan zelf de Kamer eerder een nieuw wetsvoorstel beloofde waarmee zij de voorrangspositie van statushouders wil afschaffen.
Tijdens het vragenuur van 24 maart zei de minister dat zij eveneens van de voorrang af wil, maar op een „uitvoerbare” manier. Een nieuw wetsvoorstel zou nog dit jaar volgen.
Daarmee ontstaat een bijzondere constructie: terwijl de Kamer nog moet oordelen over het toekomstige verbod, heeft de minister al een akkoord gesloten waarin zo'n wet onder bepaalde voorwaarden juist een reden kan zijn voor een partij om eruit te stappen.
Advies: voorrang juist verder uitbreiden
Bij de stukken zit nog een tweede opvallend document. Het rapport Van stoelendans naar woonkans is opgesteld in opdracht van onder meer het Rijk, VNG en Aedes.
De kwartiermakers adviseren daarin niet om de voorrang voor statushouders af te bouwen. Zij willen de mogelijkheid juist „behouden en verder verruimen”. Bij tijdelijke huisvesting noemen zij „dubbele voorrang” zelfs „randvoorwaardelijk”: eerst voorrang op tijdelijke woonruimte en vervolgens opnieuw bij de stap naar een permanente woning.
Dat advies is geen kabinetsbesluit. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat Boekholt-O'Sullivan die aanbeveling overneemt. Wel is het rapport tegelijk met het bestuurlijke akkoord naar de Kamer gestuurd. De Tweede Kamer vermeldt het ook als officiële bijlage bij de Kamerbrief.
Ook tussen de publieke boodschap en de tekst van het akkoord zit een verschil. Het kabinet presenteert de aanpak als het creëren van aanvullende woonruimte, zodat statushouders niet concurreren om bestaande sociale huurwoningen. In het akkoord staat echter in een voetnoot dat bij het wegwerken van de achterstand „ook andere vormen van huisvesting, zoals bestaande sociale huurwoningen” kunnen worden ingezet. Geplakte tekst Daarmee is bestaande sociale huur dus niet volledig uitgesloten.
Financiering zonder vast plafond
De afspraken worden ondersteund met verschillende subsidieregelingen. Eén daarvan is de doelgroepflexibele regeling van het ministerie van Asiel en Migratie.
In de financieringstabel staat bij die regeling letterlijk: „Geen budgetplafond”. Gemeenten kunnen 11 euro per plek per dag krijgen, naast vergoeding van daadwerkelijke transitie- en exploitatiekosten. De regeling kan voor projecten doorlopen tot uiterlijk maart 2030.
Ook de monitoring blijft grotendeels tussen de betrokken overheden en organisaties. In het akkoord staat expliciet dat die „nadrukkelijk geen verantwoordingsinstrument” is.
De Kamer heeft het laatste woord zodra Boekholt-O'Sullivan haar aangekondigde wetsvoorstel indient. Maar over het bestuurlijke akkoord zelf kreeg het parlement geen voorafgaande stem: toen de stukken op 16 oktober arriveerden, was de inhoud al vastgesteld en kon het akkoord na ondertekening in werking treden.


















































