‘Minachting van de rechtbank’ kan mogelijk strafbaar worden gesteld

Het kabinet heeft laten onderzoeken of Nederland een brede strafbaarstelling van contempt of court kan invoeren. Dat begrip omvat vormen van minachting van, ongehoorzaamheid aan of tegenwerking van de rechter. Advocatenkantoor Stibbe noemt zo’n nieuwe strafbepaling als mogelijke optie in een juridisch onderzoek dat VVD-minister Thierry Aartsen deze week naar de Tweede Kamer stuurde. De onderzoekers plaatsen er meteen stevige juridische kanttekeningen bij.
Het rapport gaat over de vraag of de overheid meer mogelijkheden kan krijgen om zogenoemd „problematisch gedrag” aan te pakken. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid koos zelf welke soorten gedrag Stibbe moest onderzoeken. Daaronder valt „democratie ondermijnend gedrag”, met als concreet voorbeeld „het bestrijden van het monopolie van de rechter in het opleggen van straffen”. Ook het negeren van overheidsregels en het actief ondermijnen van het gezag van politie, overheid en rechterlijke macht worden genoemd.
Brede strafbepaling onderzocht
Stibbe schrijft dat overwogen kan worden om contempt of court „expliciet en onder een brede bepaling strafbaar te stellen”. Zo'n regeling bestaat in verschillende vormen in Angelsaksische rechtsstelsels.
Het gaat daarbij breder dan alleen iemand die zegt weinig respect voor een rechtbank te hebben. Het begrip kan ook slaan op het hinderen van de rechtsgang, het negeren van rechterlijke bevelen of andere gedragingen die het functioneren of gezag van de rechter aantasten.
De onderzoekers benadrukken tegelijkertijd dat Nederland al verschillende juridische middelen heeft. Meineed en bepaalde beledigingen zijn strafbaar en rechters kunnen onder meer dwangsommen en in sommige gevallen lijfsdwang opleggen. Stibbe concludeert daarom uiteindelijk dat „het bestaande juridische instrumentarium grotendeels toereikend” lijkt.
Een nog bredere strafbepaling voor uitingen kan bovendien botsen met de vrijheid van meningsuiting. Volgens de juristen zou zo'n regeling vermoedelijk niet in lijn zijn met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Het rapport is daarmee geen wetsvoorstel. Het brengt juridische mogelijkheden en grenzen in kaart. Welke opties minister Aartsen daadwerkelijk wil overnemen, blijkt niet uit het onderzoek zelf. De Tweede Kamer ontving de verkenning op 13 oktober.
Ministerie bepaalde wat ‘problematisch’ is
Opvallend is de rol van het ministerie bij de opdracht. Stibbe schrijft dat het onderzoek is uitgevoerd „op basis van de categorieën die het ministerie van SZW heeft aangedragen”. De concrete voorbeelden zijn volgens het rapport gekozen aan de hand van onderwerpen „die het meest in opspraak zijn in de politiek”.
Aanleiding zijn zorgen over „radicale religieuze groepen en extremistisch anti-overheid gedachtegoed”. De overheid zoekt al jaren naar manieren om gedrag aan te pakken dat zij schadelijk voor de democratische rechtsorde vindt, maar dat niet noodzakelijk onder bestaande strafbepalingen valt.
Een eerdere poging om één brede juridische definitie van „problematisch gedrag” te maken, liep vast. De Landsadvocaat concludeerde dat zo'n algemene definitie waarschijnlijk niet werkbaar is. Daarna werd onderzocht of per sector specifiekere normen mogelijk zijn.
Ook de mogelijkheid van een partijverbod komt in het Stibbe-rapport voorbij. Volgens de onderzoekers kan dat „onder omstandigheden mogelijk” zijn, vooral „in extreme gevallen”. Ook dit is een juridische constatering en geen kabinetsvoorstel.
Rapport maanden op ministerie
Het onderzoek lag bovendien al maanden bij het ministerie voordat de Kamer het te zien kreeg. Het Stibbe-rapport is gedateerd op 10 februari. Op 2 maart schreef Aartsen aan de Kamer dat de verkenning „inmiddels ontvangen” was en „op korte termijn” zou worden toegestuurd met zijn reactie. Dat gebeurde uiteindelijk pas ruim zeven maanden later, op 13 oktober.
Een week na die toezegging, op 9 maart, overlegde de Kamer uitgebreid met Aartsen over integratie en maatschappelijke samenhang. Het onderzoek lag toen al bij zijn ministerie, maar stond niet op de agenda.
Eerdere aanpak liep vast
De nieuwe verkenning heeft ook een gevoelige voorgeschiedenis. Vanaf 2019 werkte een speciale taskforce van verschillende ministeries, politie en veiligheidsdiensten aan „problematisch gedrag” en ongewenste buitenlandse financiering. De aandacht lag aanvankelijk sterk op de salafistische beweging.
Later bleek dat verschillende overheidsdiensten onvoldoende wettelijke basis hadden voor de verwerking van persoonsgegevens. De Autoriteit Persoonsgegevens concludeerde in 2025 dat SZW tussen 2015 en 2021 „zonder specifieke wettelijke grondslag” onderzoeken deed of liet doen naar personen en organisaties binnen moslimgemeenschappen. De toezichthouder noemde die gegevensverwerking onrechtmatig en discriminerend.
Tegen die achtergrond trekt ook Stibbe nu duidelijke grenzen. Een brede strafbaarstelling van gedrag of uitingen is juridisch moeilijk houdbaar. Maar één mogelijkheid ligt na het onderzoek wel opnieuw op tafel als denkbare route: een expliciete strafbepaling voor contempt of court — ofwel gedragingen die het gezag en functioneren van de rechter aantasten.



















































