Kabinet maakt biometriescans van vreemdelingen weer tijdelijk, ondanks Kamersteun voor permanente bevoegdheid

Het kabinet wil de bevoegdheid om vingerafdrukken en gezichtsfoto’s van vreemdelingen te verzamelen opnieuw tijdelijk maken. Dat is opmerkelijk, omdat dezelfde bevoegdheid pas in februari permanent werd gemaakt en minister Van den Brink (Asiel en Migratie) zelf schrijft dat hij die permanente bevoegdheid nog altijd nodig vindt. De nieuwe einddatum komt er vooral omdat hij de Eerste Kamer heeft beloofd het onderwerp opnieuw, zonder tijdsdruk, aan het parlement voor te leggen.
De gang van zaken leidt opnieuw tot kritiek van de Raad van State. Die constateerde in juni dat het eerdere wetgevingstraject al “onzorgvuldig” was verlopen en waarschuwde dat hetzelfde opnieuw dreigde te gebeuren. Het advies was van de zware categorie: het wetsvoorstel niet indienen, tenzij het wordt aangepast. Het kabinet paste daarna de toelichting aan en diende het voorstel alsnog in. De Raad van State is dus niet simpelweg genegeerd, maar de geschiedenis rond de wet laat wel zien hoe Den Haag inmiddels voor de tweede keer in korte tijd worstelt met dezelfde biometrische bevoegdheid.
Tien vingerafdrukken en een gezichtsfoto
De regeling draait om artikel 106a van de Vreemdelingenwet. Daarmee kan de overheid, wanneer Europese regels daarvoor geen basis bieden, biometrische gegevens van vreemdelingen verzamelen. Het gaat om tien vingerafdrukken en een gezichtsopname. Die gegevens worden gebruikt om identiteiten vast te stellen en identiteitsfraude tegen te gaan en komen terecht in de Basisvoorziening Vreemdelingen.
De bevoegdheid begon in 2014 bewust als tijdelijke maatregel. In 2021 werd de werking met vijf jaar verlengd, tot 1 maart 2026. De overheid wist dus jaren van tevoren wanneer de regeling zou aflopen.
Toch kwam de definitieve wetgeving pas laat op gang. In 2025 wilde het kabinet de bevoegdheid permanent maken. Ook dat voorstel kreeg een zwaar advies van de Raad van State. De Tweede Kamer behandelde het uiteindelijk onder grote tijdsdruk en deed het voorstel in februari 2026 zelfs als hamerstuk af. De Eerste Kamer stemde later die maand eveneens in.
Juist die haast zat de senaat dwars. Van den Brink was nog maar één dag minister toen hij op 24 februari toezegde opnieuw met een wetsvoorstel te komen. Daarin moest weer een horizonbepaling staan, zodat beide Kamers later alsnog uitgebreider konden beslissen of de bevoegdheid moest blijven bestaan.
Minister wil bevoegdheid zelf behouden
Daarmee ontstaat een merkwaardige situatie. De nieuwe wet die Van den Brink nu verdedigt, laat de bevoegdheid over vijf jaar in principe vervallen. Maar het kabinet schrijft tegelijkertijd dat het de noodzaak van die bevoegdheid “onverkort” onderschrijft. Ook de IND is geen voorstander van een nieuwe vervaldatum. Volgens de uitvoeringsdienst zorgt zo’n horizon voor onzekerheid en moet de vreemdelingenketen zich opnieuw voorbereiden op het mogelijke verdwijnen van een instrument dat zij juist structureel gebruikt.
Het voorstel is bovendien geen harde einddatum in alle omstandigheden. Als vóór het einde van de vijf jaar een nieuw wetsvoorstel wordt ingediend om de regeling voort te zetten, blijft de bevoegdheid bestaan totdat het parlement daarover heeft beslist. De horizon is daarmee vooral bedoeld om een nieuw politiek beslismoment af te dwingen.
Precies dat vond de Raad van State aanvankelijk onvoldoende uitgelegd. De toelichting van het kabinet ging uitgebreid in op waarom de biometrische bevoegdheid behouden moet blijven, maar nauwelijks op waarom zij dan tegelijkertijd weer tijdelijk moest worden gemaakt. De Raad sprak van een wetsvoorstel dat als “vehikel” werd gebruikt om het debat opnieuw naar het parlement te brengen. Zonder betere onderbouwing dreigde volgens de adviseur opnieuw een onzorgvuldig wetstraject.
Het kabinet voegde daarop een motivering aan de memorie van toelichting toe. In het nader rapport schrijft Van den Brink vervolgens expliciet: “Dit advies is opgevolgd.” De tekst van de horizonbepaling zelf hoefde daarvoor niet te worden veranderd.
Nut volgens onderzoekers moeilijk aantoonbaar
Onder de discussie ligt bovendien een fundamentelere vraag: hoe aantoonbaar effectief is de Nederlandse biometriewet? Een derde evaluatie in opdracht van het WODC leverde daarop geen eenvoudig antwoord op. Medewerkers in de vreemdelingenketen noemen biometrie volgens de onderzoekers vrijwel unaniem onmisbaar voor hun dagelijkse werk. Vingerafdrukken en gezichtsfoto’s maken het volgens hen veel gemakkelijker om te controleren of iemand werkelijk is wie hij zegt te zijn.
Maar ook na drie evaluaties kon niet worden vastgesteld in hoeverre de wet haar uiteindelijke doel daadwerkelijk bereikt. Volgens het WODC ontbreken daarvoor onder meer goede cijfers over identiteitsfouten en is het lastig te meten hoeveel identiteitsfraude dankzij de wet wordt voorkomen.
Politiedatabase vormt groter juridisch probleem
Nog gevoeliger is wat er met een deel van de gezichtsfoto’s gebeurt nadat ze zijn verzameld. Sinds 2015 worden gezichtsfoto’s uit de vreemdelingenadministratie ook gekopieerd naar CATCH-vreemdelingen, een aparte voorziening waarmee de politie gezichten kan vergelijken bij strafrechtelijk onderzoek. De Raad van State plaatste daar vorig jaar stevige juridische vraagtekens bij. Artikel 107 van de Vreemdelingenwet maakt onder voorwaarden verstrekking voor strafrechtelijk onderzoek mogelijk, maar daaruit volgt volgens de Raad niet automatisch dat de foto’s van álle vreemdelingen vooraf in een aparte gezichtsherkenningsdatabase mogen worden gezet.
Het kabinet erkende vervolgens dat de huidige inrichting geen toereikende wettelijke basis heeft. De tijdelijke Kamercommissie Grondrechten formuleerde de consequentie onomwonden: het kopiëren van de gegevens naar CATCH-vreemdelingen gebeurt op dit moment “op onrechtmatige wijze”. Dat probleem is nog altijd niet aantoonbaar opgelost.
Van den Brink beloofde de Eerste Kamer eind februari uiterlijk aan het einde van het tweede kwartaal van 2026 een oplossing te hebben. De gedachte was dat de politie niet langer alle gezichtsfoto’s in een aparte database zou krijgen, maar indien nodig rechtstreeks een gerichte zoekfunctie in de Basisvoorziening Vreemdelingen zou kunnen gebruiken. De officiële toezegging had 1 juli als deadline en staat momenteel nog altijd als openstaand geregistreerd.
Volgens de aangeleverde stukken zijn bij de uitwerking nieuwe juridische en technische vragen ontstaan. Tegelijk wordt de database door de overheid als relevant voor opsporing beschouwd, onder meer bij onderzoeken naar terrorisme.
Kamer twijfelt nu opnieuw
Ook politiek is de nieuwe horizon allesbehalve vanzelfsprekend. Vorige week bleek dat meerdere partijen vragen hebben bij het opnieuw tijdelijk maken van de bevoegdheid. De VVD stelt zich volgens het verslag zeer kritisch op, terwijl PVV en JA21 vragen waarom de eerder permanent gemaakte regeling opnieuw van een einddatum moet worden voorzien. Ook het CDA, de partij van minister Van den Brink, vraagt hoe die keuze zich verhoudt tot de bezwaren uit de uitvoering. De parlementaire behandeling loopt nog.
Daarmee begint Den Haag feitelijk voor de derde keer aan dezelfde politieke discussie. Eerst werd biometrie tijdelijk ingevoerd. Daarna werd de bevoegdheid onder tijdsdruk permanent gemaakt. Nu wil hetzelfde kabinet die permanente regeling opnieuw tijdelijk maken, terwijl het tegelijkertijd zegt dat de bevoegdheid noodzakelijk is en behouden moet blijven.
En terwijl het parlement opnieuw discussieert over een einddatum over vijf jaar, ligt er een directer probleem dat nog steeds niet is opgelost: gezichtsfoto’s van vreemdelingen worden gebruikt in een aparte politievoorziening waarvoor het kabinet zelf al erkende dat de huidige juridische basis tekortschiet. De beloofde reparatie had drie maanden geleden klaar moeten zijn.

















































