Boeren betalen steeds meer, kabinet wijst strengere prikkels voor monopolist af

Boeren blijven vanaf 2027 opdraaien voor de kosten en financiële tegenvallers van kadaververwerker Rendac, terwijl het bedrijf als enige de verplichte landelijke taak uitvoert. De Raad van State waarschuwt dat in het nieuwe tariefstelsel nauwelijks zichtbaar is welke prikkel Rendac heeft om zuinig te werken. VVD-staatssecretaris Silvio Erkens kiest er desondanks bewust voor geen strenge efficiëntie-eisen in te bouwen.
Iedere veehouder krijgt ermee te maken wanneer een dier op het bedrijf sterft. Kadavers moeten worden opgehaald en verwerkt. Voor die wettelijke taak is in Nederland één bedrijf aangewezen: Rendac Son.
Het kabinet wil de afspraken met het bedrijf vanaf 2027 niet langer vooral in een privaat contract vastleggen, maar in regelgeving. Dat moet volgens het kabinet juist meer duidelijkheid geven over de berekening van de tarieven.
Raad van State waarschuwt voor kostenmodel
De Raad van State zette in september vraagtekens bij die nieuwe systematiek. Volgens het advies kunnen „alle kosten, alle vermogenskosten en alle mee- en tegenvallers in kosten en opbrengsten” uiteindelijk in de tarieven worden verwerkt. De Raad vindt daarbij onvoldoende duidelijk hoe Rendac wordt aangezet om efficiënt te werken.
Ook ontbreekt een vergelijking met andere bedrijven waarmee kan worden beoordeeld of de kosten redelijk zijn.
Dat is relevant omdat boeren niet eenvoudig naar een concurrent kunnen overstappen. Rendac blijft ook na 2027 de enige onderneming die de wettelijke taak in Nederland uitvoert. De vorige landbouwminister Femke Wiersma besloot dat in 2024, nadat ook twee andere partijen interesse hadden getoond. Alleen Rendac voldeed volgens het ministerie met voldoende zekerheid aan de eisen.
Erkens wil geen te strenge prikkels
Erkens neemt de kritiek op dit punt niet over. In zijn reactie schrijft hij dat het „voor deze taak onwenselijk [is] te stringente efficiëntieprikkels in te bouwen”.
Volgens de staatssecretaris moet Rendac voortdurend genoeg capaciteit beschikbaar hebben, ook wanneer plotseling een dierziekte uitbreekt. Te veel druk op de kosten kan volgens het kabinet ten koste gaan van noodzakelijke investeringen en daarmee van de dier- en volksgezondheid.
Erkens wijst daarnaast op accountantscontrole, overleg met de sector en jaarlijkse investeringsplannen.
Twee andere opmerkingen van de Raad van State neemt hij wel over. Zo wordt duidelijker vastgelegd wanneer de staatssecretaris een voorgesteld tarief moet afwijzen en wordt de mogelijkheid om naar de bestuursrechter te stappen beter uitgelegd.
Boeren zagen rekening al fors stijgen
Voor veehouders is de manier waarop tekorten en meevallers worden verrekend geen theoretische kwestie. In 2025 stegen de tarieven per dier met gemiddeld 130 procent. Een varken ging bijvoorbeeld van 2,21 naar 5,10 euro. Voor een rund ouder dan een jaar steeg het verwerkingstarief van 18,13 naar 41,82 euro.
De totale verwachte destructiekosten voor veehouders liepen daardoor op van 17,1 miljoen naar 24,3 miljoen euro. Een belangrijke oorzaak was de verrekening van een eerder tekort. In de jaren daarvoor hadden hoge opbrengsten van dierlijke eindproducten de tarieven juist gedrukt.
Ook voor 2026 gingen de kosten omhoog. Rendac verwachtte acht procent minder kadavers doordat de veestapel krimpt. Omdat een deel van de kosten over minder dieren moet worden verdeeld, steeg het tarief per dier opnieuw met ongeveer 20 procent.
Daarmee ontstaat voor overblijvende boeren een ongunstig effect van de krimp van de veehouderij: minder dieren betekent niet automatisch lagere kosten per boer, omdat de vaste kosten van de destructieketen over minder dieren worden verdeeld.
Wageningen wees op maximumtarieven
Eerder onderzoek in opdracht van het landbouwministerie wees ook op mogelijke andere keuzes. Wageningen Economic Research onderzocht in 2023 hoe de markt opnieuw ingericht kon worden. Wanneer meerdere bedrijven belangstelling hebben, ligt een aanbesteding volgens dat rapport voor de hand. De onderzoekers schreven daarbij: „Het is raadzaam om bij de aanbesteding maximumtarieven te stellen.”
Zo'n systeem met concurrentie en vooraf vastgelegde maximale tarieven komt er niet. De overheid stelt wel een bovengrens aan wat Rendac uiteindelijk mag innen: de opbrengsten uit de tarieven mogen niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, plus een vergoeding voor het geïnvesteerde vermogen, verminderd met inkomsten uit bijvoorbeeld verkochte eindproducten. Financiële meevallers komen daardoor eveneens terug in de tarieven.
Kosten die specifiek ontstaan bij de bestrijding van dierziekten worden bovendien door de overheid betaald en niet rechtstreeks bij boeren neergelegd.
Monopolie blijft
Het kabinet kiest daarmee voor continuïteit boven een scherpere financiële prikkel voor Rendac. Het bedrijf behoudt zijn exclusieve positie, terwijl veehouders de reguliere kosten van het systeem blijven dragen.
Hoeveel zij vanaf 2027 precies kwijt zullen zijn, kan het kabinet zelf nog niet zeggen. Volgens de toelichting zijn de gevolgen vooraf niet exact te berekenen, omdat onder meer het aantal kadavers, opbrengsten uit eindproducten en de vermogenskosten van jaar tot jaar veranderen.
De Raad van State blokkeerde het nieuwe stelsel niet. Maar juist op het punt dat voor boeren rechtstreeks in de portemonnee voelbaar is — de vraag hoe een monopolist wordt gedwongen zijn kosten zo laag mogelijk te houden — kiest het kabinet ervoor de voorgestelde extra efficiëntieprikkel niet in te voeren.



















































