Bulgarije stapt over op de euro, ondanks breed maatschappelijk verzet

Bulgarije heeft op nieuwjaarsdag definitief afscheid genomen van zijn nationale munt. Het land is toegetreden tot de eurozone en is daarmee het 21e EU-land dat de euro invoert. Voor de regering in Sofia is het een mijlpaal na jaren van voorbereiding en onderhandelingen met Brussel. Tegelijk gebeurt de overstap tegen de wens van een groot deel van de bevolking, dat vreest voor hogere prijzen en verlies van nationale autonomie. Dit blijkt uit een analyse van Breitbart.
Sinds 1 januari wordt in Bulgarije betaald met de euro. De oude munteenheid, de lev, wordt geleidelijk uit het dagelijks verkeer gehaald. Prijzen en bankrekeningen zijn al geruime tijd dubbel weergegeven, in lev en euro, tegen een vaste wisselkoers van 0,51 euro per lev. Banksaldi zijn automatisch omgerekend.
Gedurende een overgangsperiode van ongeveer een maand kunnen Bulgaren nog met lev betalen, maar zij krijgen hun wisselgeld in euro’s terug. Daarna verdwijnt de lev vrijwel volledig uit omloop. Oude biljetten en munten kunnen tot en met 30 juni kosteloos worden ingewisseld bij banken, postkantoren en de Bulgaarse centrale bank. Na die datum blijft omwisseling onbeperkt mogelijk bij de centrale bank.
Volwaardig lid van de eurozone
Met de invoering van de euro wordt Bulgarije onderdeel van de eurozone, met een gezamenlijke munt en een gemeenschappelijk monetair beleid. Voor burgers betekent dat eenvoudiger reizen en makkelijker prijsvergelijkingen binnen Europa. Voor bedrijven die handelen met andere eurolanden verdwijnen wisselkosten.
Volgens de Bulgaarse centrale bank levert dat het bedrijfsleven jaarlijks een besparing op van ongeveer één miljard lev. Daar staat tegenover dat Bulgarije formeel afstand doet van eigen monetaire instrumenten, zoals het vaststellen van de rente of het devalueren van de munt. In de praktijk was die ruimte al beperkt, omdat de lev al jarenlang strak aan de euro was gekoppeld.
Verplichting sinds EU-lidmaatschap
Bulgarije beloofde bij zijn toetreding tot de Europese Unie in 2007 al dat het de euro zou invoeren. In principe geldt die verplichting voor alle EU-lidstaten. Alleen Denemarken heeft een officieel opt-out-bedongen, terwijl Zweden na een referendum besloot de invoering uit te stellen. Landen als Polen, Hongarije, Tsjechië en Roemenië hebben de stap naar de eurozone nog niet gezet.
Om toe te treden moet een land voldoen aan strenge criteria. Die gaan onder meer over stabiele wisselkoersen, lage inflatie en beheersbare begrotingstekorten en staatsschuld. De Europese Commissie en de Europese Centrale Bank toetsen of een land aan die voorwaarden voldoet. Daarna geven de EU-leiders formeel groen licht.
Wantrouwen onder de bevolking
Ondanks het formele traject is het draagvlak in Bulgarije beperkt. Uit een Eurobarometer-onderzoek van afgelopen maart bleek dat 53 procent van de Bulgaren tegen invoering van de euro is. Slechts 45 procent sprak zich uit vóór. Een latere peiling in het najaar liet vergelijkbare cijfers zien.
De zorgen leven vooral rond mogelijke prijsstijgingen en het verdwijnen van de lev als nationaal symbool. Volgens Dimitar Keranov van de denktank German Marshall Fund in Berlijn is dat verzet vooral economisch van aard.
“Het gaat vooral om onzekerheid en een laag vertrouwen in instituties,” zegt Keranov. “Niet zozeer om ideologisch verzet tegen de euro of tegen Europese integratie.”
Angst voor inflatie
De vrees voor hogere prijzen speelt een centrale rol in het debat. Eerdere ervaringen in andere eurolanden laten zien dat sommige prijsstijgingen extra opvallen rond een valutawissel. Tegelijk stellen Europese beleidsmakers dat de effecten meestal beperkt zijn.
ECB-president Christine Lagarde wees erop dat eerdere euro-invoeringen gemiddeld leidden tot een tijdelijke inflatie van 0,2 tot 0,4 procentpunt. “Onzekerheid vooraf is normaal,” zei Lagarde. “Maar zodra huishoudens en bedrijven de nieuwe munt gebruiken en zien dat een geloofwaardige centrale bank waakt over prijsstabiliteit, groeit het vertrouwen.”
Volgens economen van de ECB draait de publieke opinie na invoering vaak bij. Gemiddeld neemt de steun voor de euro na verloop van tijd toe met zo’n elf procentpunt. Wel erkennen zij dat geplande prijsverhogingen soms precies samenvallen met de overgang, waardoor het gevoel ontstaat dat alles duurder wordt door de euro.
















































