Rechter spreekt vrouw vrij die Marjolein Faber met Hitler vergeleek

De vrouw die voormalig asielminister Marjolein Faber (PVV) tijdens een demonstratie afbeeldde met een hitlersnor, is door de politierechter vrijgesproken. Volgens de rechtbank valt haar actie onder de vrijheid van meningsuiting. Daarbij weegt mee dat politici volgens de rechter meer kritiek moeten verdragen dan gewone burgers, meldt het AD.
De zaak draait om een antiracismedemonstratie die vorig jaar maart in Amsterdam werd gehouden. Daar liep een 59-jarige vrouw rond met een protestbord waarop het gezicht van Faber was afgebeeld met een smalle zwarte hitlersnor. Toen een verslaggever van PowNed haar vroeg of zij daar trots mee rondliep, antwoordde zij lachend: „Jazeker!” Op verdere vragen over haar motieven wilde zij toen niet ingaan.
De beelden veroorzaakten destijds veel politieke commotie. PVV-leider Geert Wilders noemde de afbeelding "walgelijk” en riep andere politici die aan de demonstratie deelnamen op afstand te nemen van de actie.
Marjolein Faber reageerde eveneens fel en kondigde aan aangifte te doen. Op X schreef zij destijds: "Het is onacceptabel om politieke meningsverschillen op deze manier te uiten. Een vergelijking met Hitler gaat iedere grens voorbij. Ik vind dit geen vorm van protest, maar pure smaad en laster. Daarom doe ik aangifte.”
Het Openbaar Ministerie besloot de vrouw te vervolgen wegens belediging van een ambtenaar in functie. Volgens het OM geldt het afbeelden van iemand met een hitlersnor in de rechtspraak als een beledigende handeling. De officier van justitie stelde dat het protestbord neerkwam op „een beledigende, persoonlijke aanval die niets toevoegt aan het publieke debat.”
De politierechter oordeelde dat het protestbord op zichzelf beledigend was, maar niet strafbaar. Volgens de rechtbank vond de actie plaats tijdens een demonstratie over maatschappelijke thema’s zoals asielbeleid en racisme. Daarmee stond de politieke boodschap centraal. Daarnaast wees de rechter erop dat het bord niet opriep tot geweld. Ook was de uiting gericht tegen Faber als minister en niet tegen haar privépersoon.
Volgens de rechtbank volgt uit Europese rechtspraak dat politici vanwege hun publieke functie meer kritiek en scherpere uitingen moeten verdragen dan gewone burgers. Daarom moeten zij volgens de rechter een „dikkere huid” hebben.



















































