Defensie-schandaal: waakhond hield zich niet aan eigen onderzoeksafspraken

Wat gebeurt er als de waakhond van de overheid zijn eigen onderzoeksopdracht niet volgt? Uit documenten in handen van NieuwRechts blijkt dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid een expliciet afgesproken deel van een onderzoek naar vliegveiligheid bij Defensie liet vallen. Klokkenluider Victor van Wulfen wees daar al tijdens het onderzoek op, maar de Raad schoof zijn bezwaar terzijde. Juist dat weggelaten onderdeel moest antwoord geven op de vraag of de gemelde veiligheidsproblemen jarenlang hadden bestaan.
De Onderzoeksraad voor Veiligheid geldt in Nederland als het orgaan dat boven iedere twijfel verheven hoort te zijn. Stort er een vliegtuig neer, ontploft er een fabriek of gaat er bij de overheid iets grondig mis, dan is het de Raad die onderzoekt wat er gebeurde, aanwijst waar de veiligheid uit het oog werd verloren en lessen formuleert waar ministeries en Kamer niet omheen kunnen. Juist van zo'n instituut verwacht je dat het zich, meer dan wie ook, aan zijn eigen regels houdt. Wie bewaakt immers de waakhond?
De Raad legt naar eigen zeggen alleen verantwoording af aan de Tweede Kamer. Maar juist de Kamer liet in het afgelopen decennium, zo niet langer, heel wat dubieuze handelingen door de vingers gaan. Waarom deed de Kamer bijvoorbeeld niets toen de Raad in een eigen dossier precies datgene doet waar hij anderen op afrekent?
Die vraag dringt zich op nu de Onderzoeksraad deze donderdag de vaste Kamercommissie Defensie achter gesloten deuren gaat bijpraten over 'Oefenen in balans', het recente rapport over twee dodelijke oefenongevallen bij de landmacht in 2025. Documenten in handen van NieuwRechts laten zien dat hetzelfde orgaan jaren eerder, in een onderzoek naar de vliegveiligheid bij het 336 Squadron van vliegbasis Eindhoven, een schriftelijk vastgelegde onderzoeksopdracht gaandeweg heeft ingeperkt. De afspraak was tweeledig en glashelder. Wat de Raad ervan maakte, en in zijn eigen rapport verantwoordde, was dat niet.
Een onderzoek met twee vragen
De zaak begint bij Victor van Wulfen, voormalig kapitein-vlieger op het 336 Squadron, dat vanaf Eindhoven met C-130 Hercules-transporttoestellen vloog. Van Wulfen was verzocht om de overstap van de F-16 naar de C-130 te maken met de opdracht om daar een verbetertraject in gang te zetten. Dat is precies wat hij deed: jarenlang kaartte hij aan dat de vliegveiligheid op het squadron structureel niet op orde was: voorschriften ontbraken of werden genegeerd.
Maar Defensie reageerde er niet op. Toen de meldingen van Wulfen intern bleven liggen, belandde de kwestie uiteindelijk bij de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Die beschikte zelf niet over de luchtvaartkennis om de meldingen te beoordelen en vroeg in 2013 de Onderzoeksraad voor Veiligheid om dat deel over te nemen. Zo raakte het hoogste veiligheidsorgaan van het land bij de zaak betrokken.
Voordat het onderzoek begon, moest de opdracht van de Raad op papier worden gezet en dat gebeurde met opzet nauwkeurig. Een simpel akkoord volstond niet. Omdat een eerste instemmingsbrief de opdracht nog niet omschreef, volgde in september 2013 een tweede, die dat wél deed: de Raad zou "eerst uitgaan van het heden om vervolgens terug te kunnen kijken op het verleden". Ook Defensie moest het van de Raad zo vastleggen, in twee onderzoeksvragen: is het nú op orde, en hoe was dit in het verleden — met, letterlijk, een "terugkijken/waarschijnlijkheidsoordeel". De boodschap was onmiskenbaar. Kijk of de zaken tegenwoordig deugen, en zo ja, sinds wanneer en hoe het daarvoor was.
De terugblik verdween uit beeld
En zo geschiedde. Toen de Raad in november 2013 aan de slag ging, keek hij niet verder terug dan het najaar van dat jaar — op zijn vroegst 21 september 2013. In het rapport staat het op pagina 42 met zoveel woorden: "De nadruk ligt dan ook op de actuele situatie (najaar 2013) binnen het 336 squadron, niet op de situatie ten tijde van de meldingen."
Maar toen het rapport in juli 2014 verscheen, was van dat terugkijken weinig overgebleven. De conclusie stond in de tegenwoordige tijd: geen van de gemelde veiligheidstekorten was op dat moment nog actueel. De helft van de opdracht die daar onlosmakelijk bij hoorde — sinds wanneer waren ze verholpen, en hoe was het daarvoor — bleef onbeantwoord.
Vertaald naar tijd wordt de scheefgroei pas echt zichtbaar. Wat de Raad wél onderzocht, besloeg grofweg het half jaar tussen najaar 2013 en voorjaar 2014; wat hij liet liggen, besloeg de zomer van 2007 tot het najaar van 2013 — ruim zes jaar, precies de periode waarin Van Wulfen vanaf zijn komst naar de C-130 zijn bezwaren had opgeworpen. Een half jaar tegenover ruim zes jaar: dát was het stuk verleden dat buiten beeld verdween.
Van Wulfen zag het en kaartte het aan. In zijn 42 pagina's aan commentaar op het conceptrapport vroeg hij op meerdere plekken om precies die ontbrekende helft, onder meer met de toevoeging "en zo niet, per wanneer de tekortkomingen zijn verholpen". Hij onderbouwde dat door beide instemmingsbrieven woordelijk te citeren. Het antwoord van de Raad, terug te vinden in de openbaar gemaakte reactietabel bij het rapport, was even kort als veelzeggend: "Over zaken uit het verleden die niet meer objectief zijn vast te stellen kan de Raad geen uitspraak doen."
En daar wringt het. De opdracht vroeg niet om absolute zekerheid over het verleden, maar uitdrukkelijk om een waarschijnlijkheidsoordeel — een gemotiveerde inschatting, juist bedoeld voor situaties waarin iets niet met 100 procent zekerheid is vast te stellen. De Raad wees de terugkijk-vraag dus af met een beroep op precies de onzekerheid die het gevraagde oordeel had moeten overbruggen. Hij weigerde de ene helft van zijn opdracht met een argument dat die opdracht al had ondervangen.
Jarenlang vliegen dat niet had gemogen
Wat die verdwenen terugblik extra beladen maakt, is een conclusie die de Raad wél trok. Volgens het rapport voldeed het luchttransport al sinds september 2006 niet aan de militaire luchtvaarteisen. En wie dááraan niet voldoet, voldoet evenmin aan de luchtvaartwet. Daaruit volgt, in de lezing van Van Wulfen, dat er tot november 2015 feitelijk niet gevlogen had mogen worden: niet alleen met de C-130's, maar met al het vastvleugelige luchttransport van de Luchtmacht — inclusief vluchten met leden van het Koninklijk Huis — en met de kustwachteenheid die onder het 334 Squadron viel. De consequentie verwoordde de Raad zelf scherp, op pagina 49: "In de burgerluchtvaart impliceert het niet voldoen aan een eis het intrekken van de betreffende erkenning, hetgeen direct het einde betekent van de activiteiten."
Defensie vloog gewoon door. En het reageerde, opmerkelijk genoeg, in het geheel niet op het conceptrapport — terwijl juist die hoofdconclusie het bestaansrecht van al die vluchten onderuithaalde. Dat het bovendien om exact hetzelfde vliegtuigtype ging, vanaf hetzelfde vliegveld waar op 15 juli 1996 de Herculesramp plaatsvond, maakt dat zwijgen des te ongemakkelijker.
Commentaar grotendeels buiten het rapport gehouden
Bij die versmalling bleef het niet. De Onderzoeksraad publiceerde slechts drie pagina's met reacties op het commentaar, tegenover de 42 pagina's die Van Wulfen had ingediend. Het eigen protocol van de Raad is op dit punt duidelijk: commentaar dat niet wordt overgenomen, "wordt verantwoord in een bijlage bij het te publiceren rapport". Verantwoord — niet: een selectie daarvan. In de gepubliceerde bijlage staat bovendien met zoveel woorden dat opmerkingen die "buiten de scope van het onderzoek vallen" zijn weggelaten. Maar het was de Raad zélf die de scope tot de heden-vraag had teruggebracht.
Zo werkte de inperking twee keer: eerst bepaalde ze de geruststellende uitkomst, daarna rechtvaardigde ze het schrappen van het lastige commentaar. Dat NieuwRechts uit dat commentaar kan putten, botst overigens niet met de vertrouwelijkheid van het onderzoek: een conceptrapport mag niet worden gedeeld, maar de Raad heeft zelf te kennen gegeven dat dit niet geldt voor een reactie daarop.
Ook op ander vlak hield het OVV zich niet aan het eigen onderzoeksprotocol. Volgens de regels moet een partij binnen een termijn aangeven wat het doet me de aanbevelingen in een rapport en moet de OVV die reactie op de website publiceren. Maar wat blijkt: het Defensie heeft nooit een officiële reactie op het rapport gegeven, laat staan dat deze reactie publiekelijk gepubliceerd is.
Actueel terwijl de Kamer opnieuw wordt bijgepraat
Dat dit meer is dan een oude papieren kwestie, blijkt uit de timing. Donderdag praat de Onderzoeksraad de Kamer bij over veiligheid bij Defensie, nadat in 2025 twee militairen tijdens oefeningen om het leven kwamen. Van Wulfen waarschuwde al in 2022, in een brief aan de toenmalige OVV-voorzitter en aan de Kamervoorzitter, dat onopgeloste veiligheidsproblemen bij Defensie waren blijven bestaan, "met zelfs fatale gevolgen".
Die formulering koos hij bewust: in zijn ervaring houdt de werkwijze van de Raad Defensie de facto de hand boven het hoofd, waardoor grote veiligheidsproblemen ongestoord kunnen voortduren — iets wat nooit zou mogen, hoe hard de conclusies ook zijn. Zijn brief werd doorgeschoven naar de vaste commissie Defensie, die er niets mee deed; een inhoudelijk antwoord van de Raad liet drie maanden op zich wachten. Wrang detail: het was diezelfde Raad die begin 2022 het onderzoek naar het mortierongeluk in Mali heropende "om de eigen kwaliteit te bewaken" — de kwaliteit die volgens Van Wulfen in zijn eigen zaak had gefaald.
Dat de Kamer nú juist besloten wordt bijgepraat, vindt Van Wulfen veelzeggend. Iedereen weet immers welke conclusies er weer in zullen staan: dezelfde "rode draden", dezelfde belofte van beterschap. Dodelijk ongeval, onderzoek, beloofde verbetering, en weer van voren af aan — een plaat die blijft hangen. De enige die de cyclus kan doorbreken, is de Kamer zelf, met een parlementaire enquête naar veiligheid en integriteit bij Defensie. Van Wulfen vraagt er inmiddels al meer dan vijftien jaar om.
Reactie van de Onderzoeksraad
Op vragen van NieuwRechts reageert de Onderzoeksraad grotendeels door terug te verwijzen naar het onderzoeksrapport zelf. Waarom niet verder werd teruggekeken dan najaar 2013, wil de Raad niet toelichten: dat "heeft betrekking op onderzoeksinformatie", die hij op grond van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid niet mag delen. Op de kern — dat de opdracht juist om een waarschijnlijkheidsoordeel vroeg — antwoordt de Raad kortweg dat hij "geen waarschijnlijkheidsoordeel" doet; dat de vastgelegde opdracht dat woord letterlijk gebruikt, laat hij onbesproken. En de vraag waaróm de opdracht werd ingeperkt, beantwoordt de Raad opnieuw niet inhoudelijk: hij verwijst naar zijn aangetekende brief van 13 april 2022.
Ook de vergelijking met Mali wijst de Raad van de hand. Heropening van een onderzoek gebeurt volgens de Raad alleen in uitzonderlijke gevallen, bij een "zeer bijzondere aanleiding" zoals maatschappelijke onrust — en die ontbrak in deze zaak, aldus de Raad. Van Wulfen bestrijdt dat juist: veiligheidsproblemen "met zelfs fatale gevolgen" zijn wat hem betreft bij uitstek zo'n aanleiding.
Donderdag buigt de Onderzoeksraad zich opnieuw over dodelijke veiligheidsgebreken bij Defensie. De vraag is of de Raad zich aan zijn eigen opdracht en zijn eigen regels houdt wanneer de uitkomst ongemakkelijk wordt. In dit geval deed hij dat aantoonbaar niet — en legde hij het bovendien zelf vast.























































