Strafrechtadvocaat: "Niet ministers, maar topambtenaren hebben de macht in Nederland"

Ministers stappen op, generaals vertrekken en Kamerleden kunnen na verkiezingen worden weggestemd. Maar achter de schermen blijft de ambtelijke top vaak onaangeroerd. Strafpleiter en veteraan Michael Ruperti stelt in een podcastinterview dat juist daar de werkelijke macht van Nederland zit. Als bewijs wijst hij op het dodelijke mortierongeval in Mali: de minister en de hoogste militair sneuvelden, terwijl de hoogste ambtenaar gewoon op zijn post bleef.
Lees ook

Overheid bestelde rapport bij onderzoekers die Extinction Rebellion bejubelden
In het Nederlandse staatsbestel leren we dat ministers besturen en verantwoording afleggen aan de Kamer, en dat wie faalt het veld ruimt. Maar volgens strafpleiter en oud-militair Michael Ruperti is dat vooral het zichtbare toneel boven een diepere laag. Daar, zegt hij, zit de werkelijke macht: bij hoge, gezichtsloze ambtenaren die op geen enkel stembiljet en zelden op een voorpagina staan, en die blijven zitten terwijl bewindslieden komen en gaan.
Ruperti, bekend als voormalig advocaat in de kringen rond Ridouan Taghi, doet die analyse in een uitgebreid gesprek in de podcast Grensloos Gebabbel. Zijn scherpste voorbeeld is een zaak die hij van binnenuit kent: het dodelijke mortierongeval in Mali, waarvan hij nabestaanden bijstond. Juist daar, betoogt hij, werd zichtbaar wie er in Den Haag écht aan de knoppen zit.
'Ministers komen en gaan'
De kern van Ruperti's betoog is een omkering van het gangbare beeld. Niet de bewindslieden bepalen de koers, stelt hij, maar de ambtelijke top: "de echte machthebbers in Nederland". Hij typeert die groep laatdunkend als mensen "die vroeger gepest werden op scholen" en die nu achter hun bureaus de dienst uitmaken. Ze zijn volgens hem vrijwel onaantastbaar — "het is allemaal ons-kent-ons" — en worden bij misstappen "altijd toegedekt", weggepromoveerd of naar een functie in het buitenland geschoven, terwijl de politiek verantwoordelijke sneuvelt.
Ter illustratie citeert hij een oud-minister van Defensie, wiens naam hij vertrouwelijk houdt. Op de vraag hoe die zich liet sturen, zou de bewindsman hebben geantwoord: "Wat moeten we anders?" De minister staat de volgende dag met vijf, tien dossiers in de Kamer, allemaal voorbereid door ambtenaren, zonder tijd om te controleren of het klopt. "En dat geeft hun macht", concludeert Ruperti — de ambtenaren kunnen een minister net zo goed laten struikelen. De houding van die ambtenaren vat hij samen met een uitspraak die hij hun toeschrijft: ministers komen en gaan, wij blijven zitten.
De Mali-zaak als bewijsstuk
Ruperti verbindt zijn stelling het scherpst aan het mortierongeval in Mali. De feiten daarvan staan vast. Op 6 juli 2016 kwamen bij een oefening in Kidal de militairen Henry Hoving en Kevin Roggeveld om het leven en raakte een derde zwaargewond. De Onderzoeksraad voor Veiligheid oordeelde in 2017 dat Defensie ernstig tekort was geschoten, zowel in de veiligheid van de mortiergranaten — het ontstekingsmechanisme was door de opslag instabiel geworden — als in de medische zorg. Minister Jeanine Hennis-Plasschaert, die aanvankelijk weigerde af te treden en gesteund werd door premier Rutte, stapte uiteindelijk op, net als Commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp.
Precies dáár zit volgens Ruperti het punt: de minister en de hoogste militair vertrokken, maar de hoogste ambtenaar — de secretaris-generaal — bleef gewoon zitten. Sterker nog, stelt hij, uit later onderzoek zou blijken dat een ministeriële opdracht door ambtenaren "bewust" niet werd uitgevoerd; hij zat bij een vergadering waar een ambtenaar verklaarde dat de opdracht werd uitgevoerd, terwijl uit mails later het tegendeel bleek. Dat kwalificeert hij als "ambtelijke insubordinatie" en "eigenlijk muiterij". Op de vraag of dat neerkomt op verraad, antwoordt hij: "Ja, eigenlijk wel."
Ruperti's onderliggende vermoeden staat niet op zichzelf. Uit een reconstructie van onderzoeksprogramma Argos bleek dat een door Hennis beloofd onderzoek naar nalatigheid ná haar vertrek van tafel verdween, en dat de ambtelijke top daarbij een rol speelde. De Onderzoeksraad stelde bovendien vast dat Defensie informatie voor het onderzoek had achtergehouden. De gedachte dat verantwoordelijkheid op ambtelijk niveau werd begraven, is dus niet alleen die van Ruperti.
'Schijnheiligheid tot kunst verheven'
Ruperti plaatst het geheel in een breder frame. Nederland noemt hij "krom" en in de kern corrupt: "schijnheiligheid hebben ze tot kunst verheven". Het zichtbare politieke bedrijf is in zijn ogen een dun laagje boven een laag ambtenaren "waarvan je de namen niet kent", die achter hun bureaus bepalen wat er wel en niet gebeurt. Hij vertelt hoe hij ooit door ambtenaren van Defensie werd gepolst voor de politiek, en op de vraag wat hij als minister zou doen antwoordde: die betreffende ambtenaar "als eerste eruit schoppen", omdat die al jaren op dezelfde post "rampen onder de pet" hield. Juist dat soort mensen, meent hij, wil niet dat een buitenstaander minister wordt.
Ruperti staat niet alleen met zijn analyse over hooggeplaatste ambtenaren. Oud-Kamervoorzitter Khadija Arib waarschuwde in 2023 eveneens voor de invloed van de ambtelijke top. In het VPRO-programma Zomergasten stelde zij dat topambtenaren "machtsposities claimen" en sprak zij van "een ongecontroleerde macht". Volgens Arib hebben zij "heel veel invloed achter de schermen", beïnvloeden zij het parlementaire proces en onderhouden zij nauwe contacten met ministeries en bewindspersonen, terwijl zij zelf niet politiek ter verantwoording kunnen worden geroepen. Daarmee raakt haar kritiek aan dezelfde kern als die van Ruperti: dat de zichtbare politieke macht niet altijd samenvalt met de feitelijke macht achter de schermen.


























































