Nieuw Defensie-onderzoek onder vuur: niet alle klokkenluiders zijn gehoord

Vlak voor het Kamerdebat van donderdag presenteert Defensie opnieuw een ‘onafhankelijk’ onderzoek naar de eigen integriteitscultuur. Maar juist over dat onderzoek rijzen nu vragen. Bronnen melden aan NieuwRechts dat niet alle aangedragen klokkenluiders zijn gehoord. Ook kregen geïnterviewden geen inzage in de weergave van hun verhaal en is het rapport toch al intern goedgekeurd. Daarmee dreigt precies hetzelfde probleem terug te keren dat Defensie al twintig jaar achtervolgt: de organisatie laat haar eigen meldcultuur onderzoeken, maar houdt zelf de regie over wie wordt gehoord en wat uiteindelijk als waarheid op tafel komt.
Defensie worstelt al ruim twee decennia met dezelfde kwestie: waarom betalen medewerkers die intern een misstand aankaarten daar zo vaak een hoge persoonlijke prijs voor, en waarom verandert daar ondanks alle goede voornemens zo weinig aan? In die twintig jaar is een lange reeks commissies, evaluaties en nieuwe meldpunten opgetuigd, telkens met de belofte dat de meldcultuur nu werkelijk zou verbeteren. Wie die reeks naast elkaar legt, ziet echter in rapport na rapport hetzelfde beeld terugkeren. Dat roept de vraag op wat een volgend onderzoek daar nog wezenlijk aan toevoegt.
Begin deze week stuurde staatssecretaris Derk Boswijk (CDA) zijn Verzamelbrief ontwikkelingen veiligheid en integriteit naar de Tweede Kamer, ter voorbereiding op het commissiedebat Veiligheid en integriteit van komende donderdag. In die brief staat opnieuw een als onafhankelijk aangekondigd onderzoek centraal: een studie van de Erasmus Universiteit naar het proces rond het melden van integriteitsschendingen. Dat rapport is inmiddels afgerond en intern goedgekeurd, maar nog niet openbaar. Juist rond die totstandkoming leven vragen, want het onderzoek zou zijn afgetekend zonder dat een deel van de betrokkenen de tekst ooit onder ogen kreeg.
Twintig jaar, vergelijkbare bevindingen
Het Erasmus-onderzoek staat in een lange traditie van doorlichtingen die telkens werden ingesteld na incidenten of aanhoudende kritiek op de manier waarop Defensie met interne meldingen omgaat. Deze rapporten kwamen vrijwel steeds op vergelijkbare aanbevelingen uit: een veiliger meldklimaat, betere bescherming van melders en een cultuur waarin misstanden bespreekbaar zijn.
De reeks loopt van de Commissie Staal, die het integriteitsbeleid halverwege de jaren 2000 doorlichtte, via het plan van aanpak 'Een veilige Defensieorganisatie' en een inspectie van de toenmalige Inspectie SZW in 2018, tot de evaluatie 'Melden en onderzoek van integriteitskwesties bij Defensie' uit 2022, die concludeerde dat er vooral geen nieuw beleid nodig was maar tijd om de bestaande wijzigingen te laten inwerken. Daarna volgden onder meer een apart onderzoek naar vermoedens van misstanden bij de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) in 2023 en het rapport 'Melden met succes van het Huis' voor Klokkenluiders.
Telkens komt een vergelijkbare diagnose terug, en telkens volgt de toezegging dat de cultuur zal verbeteren. Follow the Money kwam deze zomer, na onderzoek van acht klokkenluiderszaken en decennia aan interne documenten, tot de slotsom dat er in de praktijk weinig verschuift; Transparency International Nederland onderschreef die conclusie begin september.
Dat die bevindingen zo consistent terugkeren, heeft veel te maken met de inrichting van het meldstelsel zelf. Het Meldpunt Integriteit Defensie is ondergebracht bij het CAOP, dat zich als onafhankelijke stichting presenteert, en die externe positie is het argument waarmee melders wordt verzekerd dat zij veilig terechtkunnen. Die onafhankelijkheid zit echter vooral aan de voorkant. Elke inhoudelijke melding wordt doorgezet naar een adviseur van de COID, en de COID is als organisatie-eenheid rechtstreeks onder de secretaris-generaal geplaatst — de hoogste ambtenaar van het ministerie, tevens eindverantwoordelijke voor integriteit. De intake staat dus buiten de deur, maar de afhandeling ligt binnen de organisatie waarover wordt geklaagd.
Dezelfde secretaris-generaal is bovendien opdrachtgever van de onderzoeken die moeten vaststellen of dat stelsel functioneert. Voor klokkenluiders ligt daar de kern van het probleem: een evaluatie van de meldveiligheid die organisatorisch onder de te beoordelen partij valt, mist de onafhankelijkheid die haar conclusies gezag zou moeten geven.
Vragen rond de totstandkoming
Bij het Erasmus-onderzoek speelt daarbij een opvallend gegeven. Volgens documenten, in handen van NieuwRechts, zijn verschillende personen die op een vooraf aangeleverde lijst met mogelijke gesprekspartners stonden niet door de onderzoekers benaderd. Het ging onder meer om een klokkenluider met een lopende, gedocumenteerde Defensiezaak. Betrokkenen die wél zijn geïnterviewd, kregen naar verluidt geen inzage in het concept en geen gelegenheid tot wederhoor op de weergave van hun verhaal, terwijl het rapport intussen is goedgekeurd. Een onderzoek dat de veiligheid van het meldproces wil toetsen maar zelf hoor en wederhoor niet volledig toepast, staat methodologisch kwetsbaar.
Hoe Defensie op het integriteitsrapport zal reageren, laat zich volgens kenners aflezen. Op voorgaande onderzoeken volgde doorgaans dezelfde lijn: Defensie noemt zichzelf lerend, meldt dat aanbevelingen deels zijn overgenomen en dat de eerste verbeteringen zichtbaar zijn. De structurele verklaring die critici daarvoor geven, is dat het meldpunt, de afhandeling en de evaluatie ervan alle onder dezelfde ambtelijke top blijven vallen — een top die zich grotendeels aan de directe controle van de Kamer onttrekt.
Wat er donderdag voorligt
Voor de Kamer ligt daarmee op donderdag een bekende afweging voor. Zij kan het aangekondigde rapport, zodra het er is, voor kennisgeving aannemen, zoals bij eerdere onderzoeken gebeurde. Of zij kan de vraag stellen die in twintig jaar rapporten onbeantwoord bleef: hoe onafhankelijk toezicht op de meldcultuur mogelijk is wanneer het meldpunt, het onderzoek en de beoordeling daarvan in handen liggen van dezelfde organisatie. Zolang die vraag onbeantwoord blijft, is de kans reëel dat het Erasmus-rapport dezelfde weg gaat als zijn voorgangers.





















































