SER wil geen extra plichten voor statushouders ondanks lage arbeidsparticipatie

Acht jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning heeft 57 procent van de statushouders betaald werk. Drie jaar na de vergunning is dat 31 procent. En van de statushouders die wél werken, heeft drie kwart een tijdelijk contract. Toch kiest de Sociaal-Economische Raad (SER) in een nieuw advies niet voor extra verplichtingen voor nieuwkomers als eerste stap. De raad wil vooral eerder en intensiever begeleiden, gemeenten nieuwe wettelijke taken geven en daar structureel publiek geld voor vrijmaken.
Lees ook

D66-Kamerlid wil alle 60.000 Ceuta-bestormers in procedure nemen: "Europa is een rechtsstaat"
Het advies Van aankomst naar toekomst werd eind september aangeboden aan minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie. De SER wil dat statushouders, asielzoekers en Oekraïense ontheemden vanaf hun aankomst veel sneller worden gekoppeld aan taal, opleiding en werk. Gemeenten moeten daarbij ook verantwoordelijk worden voor de arbeidstoeleiding van asielzoekers en Oekraïners. Voor die taak vraagt de raad structurele financiering van het Rijk. Een concreet prijskaartje bevat het advies niet.
Na acht jaar nog grote achterstand
De cijfers waarmee de SER zijn advies opent, zijn weinig rooskleurig. Nederland telt volgens het rapport ongeveer 180.000 statushouders tussen 18 en 65 jaar en 134.000 Oekraïense ontheemden. Acht jaar na het verkrijgen van een verblijfsstatus werkt 57 procent van de statushouders. De SER vergelijkt dat in de tekst met 73 procent van de totale beroepsbevolking.
De ontwikkeling gaat wel de goede kant op. Van statushouders die in 2014 een vergunning kregen, had na drie jaar 19 procent werk. Voor de groep die in 2020 een vergunning kreeg, was dat gestegen naar 31 procent. Het CBS ziet eveneens dat recent aangekomen statushouders sneller aan het werk komen dan tien jaar geleden.
Maar ook de kwaliteit van dat werk blijft volgens de SER achter. Van de werkende statushouders heeft 75 procent een tijdelijk contract, tegenover 25 procent bij de totale beroepsbevolking. Iets meer dan de helft werkt in deeltijd en uitzendwerk speelt een steeds grotere rol. Veel statushouders blijven bovendien werkzaam onder hun opleidingsniveau.
De SER spreekt daarom niet alleen over te weinig werk, maar ook over een “lock-in”: iemand begint bijvoorbeeld als uitzendkracht of pakketbezorger en komt daarna nauwelijks nog verder. In het rapport wordt onder meer een voormalige universitair docent genoemd die pakketbezorger werd en een academisch geschoolde nieuwkomer die van de gemeente het advies kreeg in een supermarkt te gaan werken.
Antwoord: meer begeleiding en nieuwe gemeentetaak
De SER legt een groot deel van de oorzaak niet bij de nieuwkomers zelf, maar bij de inrichting van het Nederlandse systeem. Asielzoekers moeten lang wachten, verhuizen geregeld tussen opvanglocaties en kunnen taalonderwijs, inburgering en werk moeilijk combineren. Ondersteuning is volgens de raad bovendien “versnipperd, tijdelijk en kleinschalig”. Daarom wil de SER een vaste route vanaf aankomst tot duurzaam werk.
Gemeenten moeten wettelijk verantwoordelijk worden voor het begeleiden van asielzoekers naar de arbeidsmarkt. Voor statushouders bestaat zo'n gemeentelijke verantwoordelijkheid al. Ook Oekraïense ontheemden moeten toegang krijgen tot voorzieningen als taalprogramma's, werkcentra, jobcoaches en diplomawaardering. De raad wil daarvoor “structurele financiering en instrumenten”.
Ook de inburgering moet worden aangepast. Zo stelt de SER voor te onderzoeken of Nederlands dat iemand op de werkvloer leert kan meetellen voor het inburgeringsdiploma. Stages en werkervaring zouden mogelijk vrijstelling kunnen geven voor onderdelen van het inburgeringstraject. Daarnaast denkt de raad aan een aparte werkroute binnen de inburgering.
Vlaamse verplichtingen voorlopig niet overnemen
Opvallend is hoe de SER omgaat met strengere voorbeelden uit het buitenland. In Vlaanderen bestaat sinds 2023 het zogenoemde Turboplan Integratie en Werk. Een onderdeel daarvan is een verplicht leertraject voor laagopgeleide nieuwkomers. Daarbij worden basisvaardigheden, taal en beroepsopleiding gecombineerd met intensieve begeleiding.
De SER neemt die verplichtende aanpak niet als eerste stap over. De raad verwijst naar kritiek van de Vlaamse sociaal-economische raad SERV, die vindt dat er te veel nadruk kan komen te liggen op verplichtingen voor nieuwkomers en te weinig op overheid en werkgevers.
De Nederlandse conclusie luidt: “Eerst de basisinfrastructuur op orde, dan aanvullende verplichtingen.” Volgens de SER heeft een verplichtend systeem weinig zin zolang gemeenten en werkcentra onvoldoende capaciteit hebben om mensen daadwerkelijk naar werk te begeleiden.
Dat betekent niet dat de SER tegen iedere verplichting is. Statushouders vallen al onder verplichtingen vanuit inburgering en participatie. Ook noemt het advies “verplichtende verantwoordelijkheden” voor gemeenten. De raad kiest er alleen voor om verdere verplichtingen voor nieuwkomers niet voorop te zetten.
Ook 134.000 Oekraïners krijgen bredere ondersteuning
Voor Oekraïners is de situatie anders. Zij mochten na aankomst veel sneller werken en hoeven geen regulier inburgeringstraject te doorlopen. Dat is ook terug te zien in de cijfers: ongeveer 61 procent van de Oekraïense ontheemden tussen 15 en 65 jaar werkt. Na zes maanden had al 45 procent een baan.
Toch ziet de SER ook daar een probleem. Veel Oekraïners werken onder hun opleidingsniveau en komen via uitzendconstructies terecht in eenvoudig werk. Gemeenten mogen hen nu wel helpen via de reguliere arbeidsmarktinfrastructuur, maar krijgen daarvoor volgens de SER geen extra budget.
De raad wil daarom dat de circa 134.000 Oekraïense ontheemden toegang krijgen tot dezelfde arbeidsmarktvoorzieningen als statushouders en asielzoekers. Dat betekent onder meer meer taalonderwijs, jobcoaching en hulp bij de erkenning van buitenlandse diploma's.
Werkgevers zien vooral kansen bij personeelstekorten
Het advies komt niet alleen van onafhankelijke deskundigen. De SER is een overlegorgaan waarin werkgevers, vakbonden en kroonleden samen zitten. De commissie achter het rapport bevatte vertegenwoordigers van onder meer VNO-NCW/MKB-Nederland, LTO, AWVN, FNV, CNV en VCP. Ook de Vereniging Nederlandse Gemeenten deed adviserend mee. De SER noemt het advies zelf “breed gedragen”.
Verschillende werkgeversorganisaties hebben het inmiddels publiek omarmd. LTO zegt dat betere begeleiding van nieuwkomers kan helpen bij “aanhoudende personeelstekorten”. VNO-NCW en MKB-Nederland noemen het zonde dat talent lang onbenut blijft terwijl ondernemers mensen zoeken. Ook CNV en VCP steunen de hoofdlijn.
De SER stelt zelf expliciet dat nieuwkomers een van de weinige groepen zijn waarmee het arbeidsaanbod op de structureel krappe Nederlandse arbeidsmarkt nog kan worden vergroot. Tekortsectoren moeten daarom afspraken maken over instroom, opleiding en doorgroei en daar volgens de raad ook financieel aan bijdragen.
Putters: voormalige PvdA-senator
Voorzitter van de SER is Kim Putters. Hij was van 2003 tot 2013 Eerste Kamerlid voor de PvdA en werd later directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Sinds september 2022 leidt hij de SER. Putters is een van de kroonleden: deskundigen die op voordracht van het kabinet door de koning worden benoemd. De huidige kroonleden, inclusief Putters, werden per april opnieuw benoemd na een voorstel van toenmalig SZW-minister Hans Vijlbrief. Sociaal-Economische Raad
Kabinet wil zelf ook veel meer nieuwkomers aan het werk
Minister Aartsen heeft het advies positief ontvangen. Zijn eigen ambitie ligt al in dezelfde richting. Het kabinet wil vóór 2030 75.000 extra statushouders en kansrijke asielzoekers aan het werk helpen. “Betaald werk moet de standaard worden”, zei Aartsen in juni. Alleen bij zwaarwegende redenen zouden nieuwkomers volgens zijn plan niet hoeven te werken.
Daarmee zit er ook een verschil in toon tussen kabinet en SER. Aartsen benadrukt nadrukkelijk de norm dat mensen die kunnen werken dat ook moeten doen. De SER legt meer gewicht bij het verbeteren van begeleiding, taalonderwijs, huisvesting en uitvoering voordat aanvullende verplichtingen worden ingevoerd.
De politieke behandeling laat overigens langer op zich wachten dan aanvankelijk voorzien. Een commissiedebat over inburgering en integratie stond voor aanstaande woensdag gepland, maar is inmiddels geschrapt. De onderwerpen worden doorgeschoven naar een wetgevingsoverleg over integratie en maatschappelijke samenhang op 16 november.

















































