Politie discrimineerde blanke sollicitanten en trok miljoenen euro's uit

De Nationale Politie heeft haar diversiteits- en discriminatiebeleid de afgelopen jaren op meerdere fronten flink uitgebreid. Interne stukken laten zien dat geschikte kandidaten met een migratieachtergrond bij de politieopleiding voorrang konden krijgen. Tegelijk werd een landelijk expertisecentrum tegen discriminatie opgebouwd, met miljoenen aan financiering en een eigen politiek-bestuurlijke tak.
Beide ontwikkelingen vallen onder het bredere programma Politie voor Iedereen. Uit honderden documenten die via de Wet open overheid zijn vrijgekomen, wordt duidelijk hoe ver die aanpak in de politieorganisatie is doorgedrongen.
Zo bepaalde een intern HRM-document uit juli 2021 dat geschikte kandidaten met een migratieachtergrond bij een tekort aan opleidingsplaatsen voorrang konden krijgen. Dat mocht oplopen tot „een landelijk gemiddeld maximum van 50% van de opleidingsplekken”. Voor zogenoemde schaarse doelgroepen kwamen daarnaast extra mogelijkheden om selectieonderdelen te herkansen.
Voorrang tot helft opleidingsplaatsen
De politie omschreef het beleid zelf als „een tijdelijke noodmaatregel om versneld een inhaalslag te maken”. Het ging niet om het toelaten van kandidaten die niet aan de selectie-eisen voldeden. De voorrang gold volgens de stukken wanneer er meer geschikte kandidaten waren dan beschikbare plekken. De politie stelde daarbij dat indirect onderscheid juridisch mogelijk kan zijn als daarvoor een legitiem doel bestaat en de maatregel evenredig en tijdelijk is.
De timing valt wel op. Op 6 juli 2021 nam de Tweede Kamer met 120 stemmen een motie van SGP-Kamerlid Roelof Bisschop aan. Daarin werd de regering gevraagd te waarborgen „dat selectie objectief blijft en geen afbreuk doet aan de kwaliteit van het korps”.
Nog geen maand later werd binnen de politie de voorrangsregeling vastgesteld. In interne presentaties staat onder meer: „Bij meer kandidaten dan plekken: kdt. met migratieachtergrond als eerste in selectie.” Ook staat er: „Schaarse doelgroepen kunnen eerder en vaker herkansen.”
De politie werkte daarnaast met streefcijfers. In verschillende regio's moest minstens een kwart van de nieuwe instroom een migratieachtergrond hebben. Voor delen van de Randstad liep het streven op tot 35 procent.
Die percentages bleken moeilijk haalbaar. In 2022 stond intern al vast dat de doelen niet zouden worden gehaald. In 2023 kwam Amsterdam uit op 27 procent, Den Haag op 14 procent en Rotterdam op 15 procent. In enkele andere eenheden lag het aandeel onder de 10 procent. In 2024 werd daarom voorgesteld verschillende doelstellingen naar beneden bij te stellen.
Een ander memo stelde voor de „cultureel diverse instroom” vanaf 2025 bij alle vacatures te meten, inclusief extern ingehuurd personeel. Daarvoor zouden sollicitanten worden gevraagd naar hun eigen geboorteland en dat van hun ouders. Uit de beschikbare stukken blijkt niet definitief of dit voorstel uiteindelijk volledig is ingevoerd.
Miljoenen voor eigen discriminatiecentrum
Parallel aan het personeelsbeleid richtte de politie het Expertisecentrum Aanpak Discriminatie Politie, ECAD-P, in. Een intern startdocument uit maart 2021 begrootte de portefeuille Aanpak Discriminatie op 5.198.515 euro voor de periode tot oktober 2025. Ongeveer 4,77 miljoen daarvan was bestemd voor personeelskosten.
Voor het expertisecentrum waren tien voltijdsfuncties voorzien. Vier vielen onder informatie, drie onder ondersteuning van de operationele uitvoering en twee onder het taakveld „politiek-bestuurlijk”. Daarnaast was er één leidinggevende.
Onder het politiek-bestuurlijke deel viel onder meer een „(loket) politiek-bestuurlijke vragen (verzoeken)”, naast advisering, protocollen en landelijke rapportages.
De oorsprong van het centrum ligt bij een Kamermotie uit 2020. D66-Kamerlid Jan Paternotte en andere Kamerleden vroegen toen om een pilot met gespecialiseerde rechercheurs voor discriminatiezaken. De uiteindelijke politieorganisatie werd breder dan alleen zo'n recherchepilot: er ontstond een landelijk expertisecentrum met informatie-, operationele én politiek-bestuurlijke taken.
Wilders en Nashville in intern politiedocument
Opvallend is ook welke maatschappelijke voorbeelden het startdocument noemt. Bij de constatering dat discriminatie en polarisatie „volop in de schijnwerpers” staan, verwijst de politie naar de „‘minder Marokkanen’-uitspraak (partijleider PVV, G. Wilders)”, de Zwarte Piet-discussie, Black Lives Matter, discriminerend deurbeleid, de Nashville-verklaring en de identiteitsverklaring van reformatorische scholen.
Dat betekent niet dat de politie al die zaken in het document afzonderlijk strafbaar noemt. Dat onderscheid is belangrijk. Het Openbaar Ministerie oordeelde in 2020 juist dat de Nashville-verklaring geen strafbaar feit opleverde. Wilders werd uiteindelijk wel veroordeeld voor groepsbelediging wegens zijn „minder Marokkanen”-uitspraak, maar vrijgesproken van het aanzetten tot haat of discriminatie. Er werd geen straf opgelegd.
Politie werkt samen met Discriminatie.nl
Eerder bleek al uit onderzoek van NieuwRechts dat ECAD-P nauw samenwerkt met Discriminatie.nl, de koepel van gemeentelijk gefinancierde antidiscriminatievoorzieningen. Het expertisecentrum en Discriminatie.nl werken onder meer samen aan de landelijke discriminatiemonitor. Meldingen bij de antidiscriminatiebureaus en registraties van de politie worden daarin samengebracht.
De politie liet destijds aan NieuwRechts weten dat de discriminatierechercheurs vooral een „signaalfunctie en ondersteunende rol” hebben. Zij screenen zaken, adviseren lokale rechercheteams en geven trainingen. Volgens de politie lag de aandacht „tot op heden vooral” op online discriminatie en complexere discriminatiezaken.
Die samenwerking kwam eerder onder een vergrootglas te liggen doordat Discriminatie.nl niet alleen meldingen verzamelt, maar zelf ook juridische stappen zet. De organisatie deed in 2026 bijvoorbeeld aangifte tegen Geert Wilders na duizenden meldingen over een bericht op sociale media. Nadat het OM de zaak seponeerde, kondigde Discriminatie.nl een artikel 12-procedure aan om alsnog vervolging te proberen af te dwingen.
Ook de cijfers laten zien hoe één politieke kwestie grote invloed kan hebben. Van de 25.356 meldingen die antidiscriminatievoorzieningen in 2025 registreerden, hadden 14.402 betrekking op één bericht van Wilders. Het landelijke rapport zelf sprak daarom van een „vertekenend effect” en liet deze clustermeldingen buiten verdere analyses.
Die eerdere bevindingen krijgen extra betekenis nu uit het vrijgegeven startdocument blijkt dat Wilders' „minder Marokkanen”-uitspraak al bij de oprichting van de politieaanpak als een van de actuele voorbeelden rond discriminatie en polarisatie werd genoemd.
Centrum kreeg structureel miljoenen
Het discriminatiecentrum bleef uiteindelijk niet beperkt tot een tijdelijke proef. Minister David van Weel (VVD) meldde dat voor het ECAD tussen 2021 en 2024 jaarlijks 1,5 miljoen euro aan tijdelijke middelen beschikbaar was en in 2025 nog eens 1 miljoen. Daarna werd de aanpak structureel voortgezet.
De politie maakte in maart 2025 bekend dat voortaan jaarlijks 3 miljoen euro voor het expertisecentrum beschikbaar is. NieuwRechts schreef daar eerder al over en wees erop dat Van Weel op Kamervragen over de totale politiecapaciteit voor diversiteits- en inclusiebeleid antwoordde dat de politie daarvan „geen apart overzicht” heeft. De drie miljoen voor het ECAD-P vormt daarmee slechts het afzonderlijk zichtbare bedrag voor één onderdeel.
In een begrotingsbrief van het kabinet werd daarnaast 6,6 miljoen euro geboekt onder „Aanpak racisme en discriminatie”. Daarmee werden het ECAD-P en het bredere programma Politie voor Iedereen bestendigd en uitgebreid.
Eén brede koers binnen de politie
De verschillende Woo-dossiers laten zo een breder patroon zien. Politie voor Iedereen beperkte zich niet tot trainingen of campagnes over inclusie.
Er werd gestuurd op de culturele samenstelling van de instroom. Daarvoor kwamen streefcijfers, voorkeursregels en extra herkansingsmogelijkheden. Tegelijk werd binnen dezelfde bredere koers een structureel gefinancierd discriminatiecentrum ingericht, inclusief een politiek-bestuurlijk taakveld en intensieve samenwerking met externe antidiscriminatieorganisaties.
De politie verdedigt zulke maatregelen vanuit het streven naar een korps dat beter aansluit bij de samenleving en discriminatie effectiever kan herkennen en bestrijden. Tegelijk laten de interne stukken zien dat dit beleid concrete gevolgen kreeg voor personeelsselectie, registratie, capaciteit en miljoenen aan structurele uitgaven.





















































