Kabinet rekent op 96.000 opvangplekken voor asielzoekers, ondanks plannen om instroom te beperken

Nederland heeft begin 2028 naar verwachting 96.000 opvangplekken voor asielzoekers nodig. Dat schrijft minister Bart van den Brink (CDA) van Asiel en Migratie vrijdag 30 oktober aan de Tweede Kamer. De nieuwe raming van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) ligt aanzienlijk hoger dan de 88.000 plekken waarmee in de huidige ronde van de Spreidingswet wordt gerekend. Ondertussen verwacht het kabinet volgend jaar ongeveer 51.000 nieuwe asielaanvragen en andere vormen van asielinstroom.
De cijfers staan in de nieuwe Meerjaren Productie Prognose (MPP), waarmee het ministerie de verwachte druk op de asielketen in kaart brengt. Volgens Van den Brink blijft die druk voorlopig hoog, ondanks de maatregelen die het kabinet neemt om de instroom te beperken en afgewezen asielzoekers sneller te laten vertrekken.
Van de 96.000 benodigde opvangplekken zijn er 5.600 bedoeld voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Het COA houdt bij de capaciteitsplanning rekening met een bezettingsgraad van 91 procent, zodat er ruimte blijft voor schommelingen in de instroom.
De huidige situatie is aanzienlijk krapper. Op 1 oktober bedroeg de bezettingsgraad van COA-locaties volgens de minister 102,1 procent.
Het kabinet verwacht in 2026 ongeveer 29.200 eerste asielaanvragen. Wanneer ook nareizigers, herhaalde aanvragen en hervestigde vluchtelingen worden meegeteld, komt de totale verwachte asielinstroom uit op ongeveer 50.400. Voor 2027 wordt gerekend op circa 51.000.
Een aanzienlijk deel bestaat uit gezinsleden die nareizen naar iemand die al een verblijfsvergunning heeft gekregen. Voor dit jaar houdt het ministerie rekening met ongeveer 18.900 nareizigers.
Tegelijkertijd verwacht het kabinet dat het percentage ingewilligde eerste asielaanvragen daalt naar ongeveer 24 procent. Dat betekent volgens de minister niet automatisch dat de opvangdruk snel afneemt. Afgewezen asielzoekers kunnen in beroep gaan en behouden tijdens die procedure doorgaans recht op opvang.
Van den Brink waarschuwt daarom dat meer afwijzingen ook kunnen leiden tot extra werk voor rechtbanken en de Dienst Terugkeer en Vertrek.
Spreidingswet blijft van kracht
Het kabinet houdt vast aan de uitvoering van de Spreidingswet. Daarmee worden gemeenten verplicht opvangplekken voor asielzoekers beschikbaar te stellen.
Voor de huidige ronde van die wet wordt nog uitgegaan van 88.000 benodigde opvangplekken. De nieuwe raming van 96.000 heeft betrekking op de verwachte landelijke capaciteitsbehoefte per 1 januari 2028. Het gaat dus niet om een onmiddellijke verhoging van de gemeentelijke taakstelling.
In zijn Kamerbrief schrijft Van den Brink dat het kabinet sterker wil inzetten op het laten doorstromen van statushouders naar andere vormen van huisvesting. Daardoor moeten opvangplekken vrijkomen voor nieuwe asielzoekers.
Daarnaast wil de regering een vaste voorraad van 41.000 opvangplekken behouden. Extra capaciteit moet waar mogelijk flexibel kunnen worden ingezet of weer kunnen worden afgebouwd.
De minister erkent dat de maatregelen niet onmiddellijk resultaat opleveren. Volgens hem zullen de eerste effecten van het kabinetsbeleid pas op langere termijn zichtbaar worden.
Naast de opvang van asielzoekers blijft ook de opvang van Oekraïense vluchtelingen een grote opgave. Voor oktober 2027 wordt nog altijd gerekend op 109.000 opvangplekken voor deze groep.



















































