Hildebrand Bijleveld: waarom linkse christenen de plank misslaan in het migratiedebat

In het migratiedebat hebben christelijke stemmen nog altijd veel gezag. Kerken, gelovigen, christelijke maatschappelijke organisaties en christendemocratische partijen bepalen mede hoe over opvang, grenzen en integratie wordt gesproken. Vanuit links-christelijke kring wordt een ruimhartig migratiebeleid vaak verdedigd met begrippen als naastenliefde en barmhartigheid. Juist daarom is het relevant om ook de bredere christelijke visie op migratie te onderzoeken. Hildebrand Bijleveld, hoofd publieksonderzoek en data bij de Evangelische Omroep (EO), legt bij NieuwRechts uit waarom de Bijbel en de christendemocratie volgens hem niet vanzelf naar een open-grenzenbeleid leiden. Zorg voor vreemdelingen is een duidelijke opdracht, stelt hij, maar die staat naast normen en bescherming van de eigen gemeenschap. “Het is daarom ook niet zo dat heel christelijk Nederland zegt: zet de poorten maar open.”
Bijleveld baseert die visie op zijn studie van christelijke filosofie en zijn ervaringen in volkswijken. Hij volgde de master Christian Studies of Science and Society, waar het denken van grote christelijke namen als Abraham Kuyper, Herman Dooyeweerd en Guillaume Groen van Prinsterer centraal stond. Daarnaast woonde hij lange tijd in multiculturele buurten. Daar zag hij van dichtbij hoe belangrijk sociale samenhang is en wat er gebeurt als groepen langs elkaar heen gaan leven. “Gemeenschap en de behoefte aan gemeenschap zitten bij mij diep”, zegt hij.
Liefde voor de vreemdeling heeft grenzen
Volgens Bijleveld is er op basis van de bijbel veel te zeggen over migratie. Wie het Oude Testament leest, ziet volgens Bijleveld allereerst een duidelijke opdracht om vreemdelingen goed te behandelen. De Israëlieten worden er telkens aan herinnerd dat zij zelf vreemdelingen zijn geweest. Abraham trok als nomade door verschillende gebieden. Zijn nakomelingen leefden in Egypte en reisden daarna naar het beloofde land.
“De Bijbel is er helder over dat je goed voor de vreemdeling moet zorgen. Er staat dat je evenveel van hem moet houden als van jezelf.” Die opdracht is volgens Bijleveld niet vrijblijvend. Zij vormt een wezenlijk onderdeel van de Bijbelse moraal en komt voort uit de eigen geschiedenis van het Joodse volk.
Maar liefde betekent volgens hem niet dat een vreemdeling buiten de regels van de ontvangende gemeenschap mag blijven staan. In het Oude Testament worden verschillende woorden gebruikt voor verschillende soorten vreemdelingen. De zogenoemde 'geer' lijkt volgens Bijleveld nog het meest op een inwonende vreemdeling of statushouder. Hij woont in de samenleving en doet mee, maar behoort nog niet volledig tot het volk.
Voor deze nieuwkomer golden concrete verplichtingen. Hij moest deelnemen aan belangrijke religieuze en maatschappelijke momenten. Tijdens het Loofhuttenfeest hoorde hij de wet aan. Ook rond andere belangrijke feestdagen zoals de Grote Verzoendag en Pesach moest hij zich voegen naar de gebruiken van de gemeenschap.
“Je bent misschien een vreemdeling, maar je moet wel meedoen”, zegt Bijleveld. “Het gaat niet alleen om het naleven van de wet. Het gaat ook om deelnemen aan tradities en voorkomen dat anderen last van je hebben.” De ontvangende samenleving bood bescherming, maar verwachtte daar aanpassing voor terug.
Die normering ging ver. Ook morele, religieuze en seksuele regels golden voor de vreemdeling. Godslastering en kinderoffers waren verboden. De nieuwkomer kon zich niet beroepen op zijn eigen achtergrond om buiten de normen van het land te blijven.
“De oproep om de vreemdeling lief te hebben, wil niet zeggen dat alles zomaar kan”, aldus Bijleveld. Volgens hem wordt dat deel van de Bijbel in het huidige debat te vaak weggelaten. Barmhartigheid en grenzen worden tegenover elkaar geplaatst, terwijl ze in de Bijbelse samenleving naast elkaar bestonden.
Zorg als persoonlijke verantwoordelijkheid
Bijleveld wijst ook op de manier waarop armen, wezen en vreemdelingen in het Oude Testament werden geholpen. Een deel van de ondersteuning kwam uit het afstaan van een tiende van bezit of oogst. Daarnaast moesten boeren bij het oogsten een gedeelte van het graan, de druiven en de olijven laten staan.
Mensen zonder eigen middelen konden dat voedsel vervolgens zelf verzamelen. De hulp verliep daardoor niet volledig via een centrale overheid. Er ontstond een directe relatie tussen degene die bezit had en degene die ondersteuning nodig had.
“Er was een directe transactie tussen degene die iets had en de vreemdeling die letterlijk kwam mee-eten”, zegt Bijleveld. In het Bijbelboek Ruth laat een landeigenaar bijvoorbeeld bewust extra graan achter voor een vreemdelinge en weduwe. De gever bleef zichtbaar verantwoordelijk voor de zwakkere in zijn omgeving.
Volgens Bijleveld werkte die afhankelijkheid ook normerend. Een vreemdeling die steun nodig had, kende de mensen op wie hij een beroep deed. Dat maakte het moeilijker om zich volledig van de ontvangende gemeenschap af te keren of zich als onderdeel van een vijandige groep te gedragen.
Hij verbindt die gedachte aan ervaringen uit zijn eigen woonomgeving. Bijleveld vertelt over groepen jongeren die hem intimideerden en over buurjongens die zijn zwangere vrouw lieten schrikken. Hij denkt dat zulke spanningen moeilijker ontstaan wanneer nieuwkomers en oorspronkelijke bewoners rechtstreeks op elkaar zijn aangewezen.
Dat betekent volgens hem niet dat de Bijbelse armenzorg letterlijk moet worden ingevoerd. Wel laat zij zien dat hulp, verantwoordelijkheid en sociale samenhang niet los van elkaar staan. Een anoniem stelsel van rechten en voorzieningen kan de persoonlijke wederkerigheid verzwakken die in de Bijbel juist zichtbaar is.
Vrijheid als christelijk beginsel
Bijleveld erkent dat het Oude Testament ontstond binnen een theocratische samenleving. De religieuze en maatschappelijke wet vielen grotendeels samen. Moderne christenen hoeven die regels volgens hem niet rechtstreeks in nationale wetgeving om te zetten.
De liberale rechtsstaat kan juist vanuit het christendom worden verdedigd. Geloof moet volgens hem een vrije keuze blijven. Een overheid die alle zonde verbiedt, maakt persoonlijke gehoorzaamheid aan God minder betekenisvol.
“Je moet de vrijheid hebben om te mogen zondigen, want als die vrijheid ontbreekt, is je keuze voor God ook geen echte keuze”, zegt Bijleveld. Hij noemt een theocratische staat die alcohol om religieuze redenen verbiedt. Wie daar niet drinkt, hoeft geen bewuste geloofskeuze te maken, omdat de overheid het gedrag al afdwingt.
Dat uitgangspunt betekent niet dat de staat nooit mag ingrijpen. Bij geweld, mishandeling of ernstige verslaving kan beperking gerechtvaardigd zijn. Maar een christelijke politicus moet volgens Bijleveld niet automatisch concluderen dat alles wat zondig wordt gevonden ook verboden moet worden.
Die terughoudendheid vormt een belangrijk onderdeel van de christendemocratie. Daarin bestaat de samenleving uit verschillende zelfstandige verbanden. Het gezin, de kerk, het onderwijs, het bedrijfsleven en de staat hebben ieder een eigen taak en gezag.
Abraham Kuyper noemde dat soevereiniteit in eigen kring. Ouders dragen verantwoordelijkheid voor hun gezin. Leraren en schoolbesturen bepalen wat goed onderwijs is. Kerken geven zelfstandig vorm aan hun geloof en organisatie.
“Een ouder is het best in staat om te onderzoeken wat goed is voor zijn kind en zijn gezin. Een docent is het best in staat om te bepalen wat goed is voor het onderwijs.” De overheid hoort zich volgens die gedachte zo veel mogelijk terughoudend op te stellen. Alleen wanneer een kring ernstig faalt, bijvoorbeeld bij kindermishandeling, mag de staat beperkt en tijdelijk ingrijpen.
Migratie zet christelijke vrijheid onder druk
Juist vanuit die christendemocratische visie is Bijleveld kritisch op omvangrijke migratie zonder stevige integratie. Nieuwe religieuze en culturele gemeenschappen krijgen binnen de liberale rechtsstaat dezelfde vrijheid als bestaande kerken en scholen. Dat kan volgens hem spanningen veroorzaken wanneer binnen die gemeenschappen ideeën worden verspreid die als antidemocratisch of bedreigend worden gezien.
De politiek reageert daarop vaak met meer toezicht. Als de overheid wil controleren wat op islamitische scholen, in moskeeën of tijdens religieuze weekendlessen wordt onderwezen, raken zulke maatregelen al snel ook christelijke instellingen. Dezelfde wet kan immers gelden voor kerken, christelijke scholen en zondagsscholen.
“Massamigratie is desastreus voor de christendemocratie”, zegt Bijleveld. Daarmee bedoelt hij niet dat iedere migrant een bedreiging vormt. Zijn punt is dat grote migratiestromen, onvoldoende integratie en een progressieve drang tot staatscontrole gezamenlijk de vrijheid van maatschappelijke verbanden kunnen aantasten.
Als voorbeeld noemt hij de politieke discussie na het geweld rond de wedstrijd van Maccabi Tel Aviv in Amsterdam. Bijleveld zag dat het debat over antisemitisme en integratie deels verschoof naar de positie van religieus onderwijs als geheel. Een probleem binnen een bepaalde groep werd zo volgens hem een argument om alle geloofsscholen strenger te behandelen.
Christelijke partijen zouden dat risico te weinig erkennen. Zij verdedigen religieuze scholen en kerkelijke vrijheid, maar steunen volgens Bijleveld soms tegelijk een migratiebeleid dat de druk op die instellingen verhoogt.
“Als je alle poorten openzet en niet aan integratie doet, roep je het over jezelf af dat ook de christelijke vrijheid wordt aangetast.” De overheid grijpt dan niet alleen in bij de groepen die de aanleiding vormden, maar ook bij christenen die al generaties lang eigen scholen, kerken en organisaties hebben.
De barmhartige Samaritaan maakt nog geen migratiewet
Ook uit het Nieuwe Testament volgt volgens Bijleveld geen open-grenzenbeleid. Het verhaal van de barmhartige Samaritaan en teksten over het verdwijnen van het onderscheid tussen Jood en Griek roepen gelovigen op tot liefde zonder onderscheid. Die persoonlijke opdracht kan volgens hem echter niet zonder meer worden vertaald naar staatsrecht.
“Ik ben het ermee eens dat we allemaal mensen en kinderen van God zijn, maar niet als staatsrechtelijk principe.” Een christen moet een mens in nood helpen. Daaruit volgt niet automatisch dat een staat geen onderscheid mag maken tussen inwoners en mensen van buitenaf.
Bijleveld ziet de natiestaat als een begrenzing van politieke macht. Zonder afzonderlijke landen zou een wereldregering uitzonderlijk veel gezag krijgen. Dat brengt volgens hem het risico mee dat één leider of één machtsblok anderen kan overheersen.
Die redenering hangt samen met de christelijke leer van de zondeval. Mensen zijn niet vanzelf goed en machthebbers blijven vatbaar voor misbruik. Politieke grenzen, afzonderlijke gemeenschappen en verdeelde bevoegdheden kunnen daarom als tegenmacht functioneren.
Een samenleving heeft bovendien voldoende sociale samenhang nodig. Burgers moeten wetten en instituties kunnen erkennen. Wanneer groepen niets meer met elkaar delen, kan een machtsvacuüm ontstaan en groeit het risico op conflict.
“Wie zegt dat we geen afgebakende gemeenschappen nodig hebben, veronderstelt eigenlijk dat iedereen deugt”, zegt Bijleveld. Volgens hem is dat vanuit christelijk perspectief te optimistisch. Een politieke orde moet niet alleen rekening houden met menselijke goedheid, maar ook met menselijke zwakte.
Een gast blijft niet voor altijd
Ook het begrip gastvrijheid wordt volgens Bijleveld te gemakkelijk als argument voor permanente immigratie gebruikt. De Bijbel roept mensen op gasten ruimhartig te ontvangen. Hij herkent die houding uit reizen door het Midden-Oosten, waar een gastheer soms direct zijn afspraken laat vallen om tijd te maken voor bezoek.
Dat vindt hij waardevol. Gastvrijheid draait om aandacht, eten, onderdak en persoonlijk contact. Maar het woord gast heeft volgens hem ook een tijdelijke betekenis. “Een gast is per definitie iemand die komt en weer gaat.” Daarom vindt hij het merkwaardig om Bijbelse gastvrijheid zonder verdere uitleg te gebruiken als argument voor onbeperkte of permanente toelating.
Bovendien sprak Jezus volgens Bijleveld niet tot een volk dat zelfstandig zijn eigen staat bestuurde. De Joden leefden onder Romeinse overheersing. Veel uitspraken in het Nieuwe Testament gaan daarom over persoonlijk geloof en onderlinge verhoudingen, niet over grensbewaking, asielprocedures of de inrichting van een moderne verzorgingsstaat.
Jezus hield zich bij politieke vragen vaak afzijdig. Hij zei dat men de keizer moest geven wat de keizer toekwam. Volgens Bijleveld is het daarom riskant om uitspraken over persoonlijke liefde rechtstreeks te veranderen in regels voor nationaal migratiebeleid.
Mededogen en verantwoordelijkheid
De spanning tussen barmhartigheid en staatsrecht wordt zichtbaar bij kerkasiel en langdurig verblijvende uitgeprocedeerde gezinnen. Kerken wijzen dan op kinderen die in Nederland zijn opgegroeid en hier vrienden, onderwijs en een sociaal leven hebben.
Bijleveld begrijpt de emotionele kracht van zulke gevallen. Toch vindt hij dat ook de verantwoordelijkheid van ouders moet worden benoemd. Wanneer een gezin na meerdere rechterlijke afwijzingen blijft, terwijl duidelijk is dat het moet vertrekken, ontstaat de latere pijn niet alleen door het optreden van de staat.
“Is de staat schuldig, of ligt de verantwoordelijkheid bij het gezin en de ouders? Voor mij is het duidelijk dat die verantwoordelijkheid bij de ouders ligt.” Kinderen kunnen volgens hem slachtoffer worden van verkeerde beslissingen van volwassenen, hoe pijnlijk dat ook is.
Dat standpunt kan harteloos overkomen, erkent hij. Maar beleid dat voortdurend wordt aangepast aan het aangrijpendste individuele geval, ondermijnt volgens hem algemene regels. Bijleveld spreekt in dat verband over “emotocratie”: politieke besluiten die vooral voortkomen uit medelijden met één situatie, zonder voldoende aandacht voor de bredere gevolgen.
Christelijke barmhartigheid vraagt volgens hem om hulp aan mensen die lijden. Zij ontslaat ouders, kerken of overheden niet van hun eigen verantwoordelijkheid. Juist de christendemocratie probeert volgens Bijleveld vast te stellen welke maatschappelijke kring voor welke beslissing verantwoordelijk is.
Somber over de toekomst
Over de toekomst van de christendemocratie is Bijleveld weinig optimistisch. Hij ziet dat de overheid gelijkheid steeds vaker binnen scholen, kerken en andere maatschappelijke verbanden wil afdwingen. Grondrechten werken daardoor niet alleen tussen overheid en burger, maar ook steeds sterker tussen individuele burgers onderling.
Hij noemt discussies over religieus onderwijs, toezicht op weekendscholen en wetgeving rond zogenoemde conversiehandelingen. Zulke maatregelen kunnen volgens hem diep ingrijpen in de vrijheid van kerken om hun eigen geloofsleer en pastorale praktijk te bepalen. Tegelijk erkent hij dat de overheid minderjarigen moet beschermen tegen aantoonbare schade.
Bijleveld ziet twee ontwikkelingen samenkomen. Een deel van de bevolking is bang voor de invloed van de islam en verlangt daarom meer controle op religieuze instellingen. Tegelijk bestaat volgens hem een progressief-seculiere elite die weinig vertrouwen heeft in traditionele christelijke organisaties.
“Het volk is bang voor de islam en een deel van de elite heeft een afkeer van het christendom. Dat komt bij elkaar.” Het gevolg is volgens hem dat scholen, kerken en gezinnen steeds minder ruimte krijgen om hun eigen keuzes te maken.
Christelijke politiek moet daarom meer doen dan afzonderlijke Bijbelteksten over liefde in beleid vertalen. Zij moet volgens Bijleveld ook rekening houden met de zondeval, de beperking van macht en het behoud van gemeenschappen. Zijn wens is uiteindelijk klassiek christendemocratisch: “Dat maatschappelijke kringen wat meer met rust worden gelaten, zou ik heel graag terugzien.”



















































