Kabinet erkent: extra defensiemiljarden zorgen amper voor economische groei

Extra miljarden voor Defensie leveren Nederland nauwelijks directe economische groei op. Dat blijkt uit onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB), waarover onlangs werd bericht. In Kamervragen vroeg D66-Kamerlid Van Duijvenvoorde het kabinet om opheldering. Minister Ruben Brekelmans en de staatssecretaris van Defensie erkennen in beantwoording van Kamervragen dat de economische effecten beperkt zijn, maar benadrukken dat veiligheid voorop staat.
Volgens het kabinet moet defensiebeleid niet primair worden beoordeeld op groei van het bruto binnenlands product. “Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa,” schrijven de bewindslieden. Die veiligheid is volgens hen een basisvoorwaarde voor een goed functionerende economie, maar laat zich niet eenvoudig vertalen naar cijfers.
Beperkte groei, wel strategisch belang
Het CPB concludeerde in november dat extra defensie-uitgaven in een krappe economie weinig extra productie en banen opleveren. Een groot deel van het geld vloeit bovendien naar het buitenland, omdat veel wapensystemen en materieel daar worden ingekocht. Dat zorgt voor een zogenoemd weglek-effect.
Het kabinet betwist die analyse niet, maar plaatst haar in perspectief. Defensie wijst erop dat de Nederlandse defensie-industrie de afgelopen jaren al is gegroeid. Tussen 2022 en 2023 steeg de omzet van 5,7 naar 7,7 miljard euro. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025-2029 wil het ministerie die lijn voortzetten door meer in Nederland en Europa in te kopen en de eigen industrie op te schalen.
Inkopen in het buitenland blijft nodig
Toch erkent Defensie dat volledige zelfvoorziening niet realistisch is. Voor veel systemen blijft Nederland afhankelijk van buitenlandse leveranciers, vaak binnen NAVO-verband. Volgens het kabinet is dat geen zwakte, maar een bewuste keuze. Door samen met bondgenoten hetzelfde materieel te kopen, ontstaan schaalvoordelen en wordt de gezamenlijke weerbaarheid vergroot.
Om toch iets terug te halen naar Nederland, zet Defensie in op industriële participatie. Dat betekent dat buitenlandse leveranciers verplicht worden om Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen te betrekken. Bij de aanschaf van nieuwe onderzeeboten is afgesproken dat tijdens de productiefase ruim één miljard euro aan opdrachten bij Nederlandse bedrijven terechtkomt. Ook rond de F-35 gaat het jaarlijks om honderden miljoenen euro’s aan werk voor de Nederlandse industrie.
Arbeidsmarkt en personeel
Een ander punt van zorg is de arbeidsmarkt. Defensie wil groeien naar een krijgsmacht van 100.000 mensen in 2030, met de mogelijkheid om op te schalen tot 200.000. In een toch al krappe arbeidsmarkt roept dat vragen op. Volgens het kabinet ligt de oplossing vooral bij reservisten. Zij werken grotendeels in het bedrijfsleven en zijn daarnaast inzetbaar voor Defensie. Zo blijft de druk op de arbeidsmarkt beperkt en wordt kennis tussen civiele sectoren en Defensie uitgewisseld.
Op de vraag of het kabinet bereid is eerlijker te zijn over de beperkte economische opbrengst van defensie-uitgaven, antwoorden de bewindslieden bevestigend. Defensie laat aanvullend onderzoek doen naar de bredere economische effecten van de opschaling. In de tweede helft van 2026 verschijnt een uitgebreide economische beleidsanalyse over de defensie-industrie, waarin ook de bevindingen van het CPB worden meegenomen.
















































