Rechtse Kamerleden zetten EU-verdrag op de agenda dat D66-minister stilletjes wilde goedkeuren

Onderwijsminister Rianne Letschert (D66) wilde het Europese Faro-verdrag goedkeuren zonder dat de Kamer erover debatteerde. Dat plan is van tafel. Tweeënveertig Kamerleden van PVV, JA21, SGP, BBB, Groep Markuszower en Mona Keijzer eisen dat het erfgoedverdrag, dat meer nadruk legt op het koloniale en slavernijverleden, alsnog volledig door Tweede en Eerste Kamer wordt behandeld. Ruim meer dan de dertig handtekeningen die daarvoor nodig zijn.
Het verzoek ligt vast in een brief van JA21-leider Joost Eerdmans van 28 oktober. Een dag later meldde Kamervoorzitter Thom van Campen in een brief aan de Eerste Kamer dat „meer dan dertig” Tweede Kamerleden de wens hebben geuit het verdrag te onderwerpen aan de „uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal”. Daarmee is de stille route die het ministerie had uitgestippeld definitief geblokkeerd.
Rechts sluit de rijen
De lijst met ondertekenaars bestaat uit de rechtse fracties in de Tweede Kamer. Behalve Eerdmans zetten onder anderen PVV-leider Geert Wilders, Martin Bosma, Dion Graus, Tony van Dijck en Raymond de Roon hun naam eronder. Van JA21 tekenden onder meer Ingrid Coenradie en Annabel Nanninga, van de SGP Chris Stoffer, Diederik van Dijk en André Flach. Namens BBB ondertekenden Caroline van der Plas, Henk Vermeer en Femke Wiersma. Ook Gidi Markuszower en zijn fractiegenoten en Mona Keijzer steunen het verzoek.
De Kamerleden waren op tijd. Bij stilzwijgende goedkeuring van een verdrag hebben dertig Tweede Kamerleden of vijftien Eerste Kamerleden het recht om alsnog een uitdrukkelijke behandeling te eisen. Die termijn liep voor het Faro-verdrag tot uiterlijk 4 november. De brief werd op 29 oktober gemeld in de regeling van werkzaamheden.
De brief zelf is puur procedureel: een inhoudelijke motivering ontbreekt. Eerdmans en de medeondertekenaars beroepen zich op het Reglement van Orde van de Kamer en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen.
‘Niet politiek gevoelig’
Het ministerie had een andere afloop voor ogen. In een interne beslisnota van 13 februari zetten ambtenaren twee routes naast elkaar: „Stilzwijgend in 9 maanden vs. Uitdrukkelijk in 1.5 tot 2 jaar.” Zij adviseerden de stille route. Het verdrag zou „niet politiek gevoelig” zijn en de ambtenaren verwachtten niet dat de Kamers erover zouden willen spreken. Letschert ging op 9 maart akkoord.
Ook geld speelde een rol. Volgens de nota lopen de tijdelijke middelen van 6 miljoen euro voor het Faro-gedachtegoed eind 2026 af. Een lange parlementaire behandeling zou „opgebouwde expertise, netwerken en infrastructuur” in gevaar brengen. Bovendien zou extra behandeling vanwege „de structurele bezuinigingen op de Rijksoverheid” meer werk opleveren dan wenselijk.
De beslisnota werd pas begin oktober openbaar, bijna acht maanden nadat die was opgesteld. De Kamercommissie voor OCW nam het verdrag op haar procedurevergadering van 8 oktober nog voor kennisgeving aan. Zonder de handtekeningen van rechts was het verdrag daarmee waarschijnlijk zonder debat goedgekeurd.
Erfgoed volgens ‘gemeenschappen’
Het gaat om het Kaderverdrag van Faro van de Raad van Europa uit 2005, dat Nederland in januari 2024 ondertekende. Het verdrag legt minder nadruk op het beschermen van monumenten en voorwerpen, en meer op de betekenis die mensen zelf aan erfgoed geven. Zogenoemde erfgoedgemeenschappen krijgen een grotere rol.
De toelichting van het kabinet noemt als voorbeelden onder meer Tukkers, Molukse Nederlanders, molenaars, militairen van regimenten en inwoners van het Groningse aardbevingsgebied. Ook het koloniale en slavernijverleden komt expliciet aan bod, net als discussies over omstreden standbeelden en het herbegraven van menselijke resten uit museumcollecties.
Bij botsende opvattingen over erfgoed vraagt het verdrag om „bemiddelingsprocessen”. Volgens de toelichting gaat de uitvoering gepaard met een „cultuurverandering”, waarbij betrokkenen moeten reflecteren op hun eigen handelen en waardenkaders. Het verdrag geeft burgers geen rechtstreeks afdwingbare nieuwe rechten. De Raad van State had geen opmerkingen.
Nu toch een wetsvoorstel
Door het verzoek moet het kabinet een goedkeuringswet indienen, die door beide Kamers moet worden behandeld. Volgens de eigen inschatting van het ministerie duurt dat anderhalf tot twee jaar. Een datum voor een debat is er nog niet.
Daarmee wordt ook het financiële argument uit de beslisnota opnieuw relevant. In de OCW-begroting voor 2027 staat geen afzonderlijk Faro-budget, en de Netwerkagenda Erfgoedbeoefening die Letschert als vervolg presenteert, begint pas in 2028. Goedkeuring van het verdrag zorgt op zichzelf ook niet voor nieuw geld.
Opvallend blijft de tijdlijn. Toenmalig staatssecretaris Gunay Uslu beloofde in april 2023 dat het verdrag na ondertekening „zo spoedig mogelijk” aan het parlement zou worden voorgelegd. Het duurde vervolgens ruim tweeënhalf jaar voordat de stukken de Kamer bereikten. Juist die vertraging maakte het argument dat een gewone behandeling nu te lang zou duren opvallend. Door de handtekeningen van rechts krijgt de Kamer alsnog het laatste woord.



















































