Gemeenten leggen bij voor ABP-pensioen van politici

Gemeenten, provincies en waterschappen moeten geld bijleggen om het pensioen van wethouders, gedeputeerden, Kamerleden en ministers over te zetten naar pensioenfonds ABP. Dat blijkt uit de reactie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten op het wetsvoorstel van CDA-minister Pieter Heerma (Binnenlandse Zaken). Het Rijk betaalt niet mee. Politici stappen bovendien een jaar later over dan 3,2 miljoen ABP-deelnemers.
Lees ook

D66-minister weigert onderzoek naar buitenlandse financiers Gaza-protesten ondanks Kamermotie
Volgens de VNG, die zich baseert op de toelichting bij het conceptwetsvoorstel, is het bedrag dat naar ABP moet „tussen 10 en 20% hoger” dan wat de overheden voor deze pensioenen opzij hebben gezet. Een bijdrage van het Rijk komt er niet: „Het ligt niet in de rede dat het Rijk hiervoor een bijdrage verleent”, citeert de VNG uit de toelichting.
De totale waarde van de pensioenen van politieke ambtsdragers wordt volgens vakblad Binnenlands Bestuur geschat op 2,1 miljard euro. Het precieze tekort staat niet in de openbare stukken. Volgens een eigen berekening gaat het om ruwweg 190 tot 350 miljoen euro.
‘Kost niet meer geld’
Dat is iets anders dan het kabinet in 2024 beloofde. Het kabinet van toen, met Hugo de Jonge als minister van Binnenlandse Zaken, liet weten: „Deze operatie kost niet meer geld dan reeds op basis van opgebouwde aanspraken moest worden uitgekeerd.” Gemeenten die te weinig opzij hebben gezet, staan er alleen voor. „Nee, hiervoor vindt geen compensatie plaats”, antwoordde het ministerie op een vraag van gemeenten. „U moet er zelf voor zorgen dat er op basis van deze rekenregels geen tekort is.”
Daar komt de compensatie bij voor het afschaffen van de doorsneesystematiek, waarbij iedereen dezelfde premie betaalt ongeacht leeftijd. Gewone ABP-deelnemers krijgen die compensatie uit de buffer van het fonds. Voor politici is er zo’n buffer niet, dus moeten gemeenten en provincies die compensatie waarschijnlijk uit hun eigen begroting betalen, meldt Binnenlands Bestuur.
Geen uitvoeringstoets
De VNG is kritisch over de voorbereiding. „Bij het wetsvoorstel ontbreekt een uitvoeringstoets”, schrijft de vereniging. Ook een begeleidend budget van het kabinet ontbreekt. „Gemeenten moeten hiervoor in december 2027 dus voldoende liquide middelen hebben”, waarvoor sommige mogelijk geld moeten lenen.
Al een jaar te laat
ABP stapt op 1 januari 2027 over op het nieuwe pensioenstelsel. Het pensioen van politici volgt volgens het concept pas op 1 januari 2028. Ook dat is later dan gepland. In het eigen tijdsplan van Binnenlandse Zaken uit 2024 zou de wet al op 1 januari 2026 gelden. Toenmalig minister Judith Uitermark meldde in juli 2025 nog dat de voorbereidingen „geen vertraging” hadden opgelopen.
Heerma schreef de Kamer op 20 augustus: „Mijn streven is het wetsvoorstel nog in 2026 in te dienen bij de Tweede Kamer.” Eerst moet de Raad van State nog advies geven. ABP liet in september weten dat 1 januari 2028 onhaalbaar is, meldt vakblad Pensioen Pro. NieuwRechts schreef eerder over het uitstel.
Geen voorrecht, zegt het kabinet
Het kabinet benadrukt dat politici geen voorkeursbehandeling krijgen. „Een uitzonderingspositie voor politieke ambtsdragers is daarom in het geheel niet aan de orde”, schreef het in 2024. De latere datum komt doordat hun pensioen uit de begroting wordt betaald en er geen fonds is, waardoor een aparte wet nodig is.
Politici gaan er ook niet alleen op vooruit. Gepensioneerde oud-wethouders krijgen in 2027 een pensioen op het niveau van 2026, en volgens de VNG betalen gemeenten premie voor een arbeidsongeschiktheidspensioen waar wethouders geen recht op krijgen.
Voor de wijziging is een tweederdemeerderheid in beide Kamers nodig, omdat het ook om het pensioen van Tweede Kamerleden gaat. De Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken nam de brief over de consultatie op 10 september zonder bespreking voor kennisgeving aan.



















































