Rekenkamer: inburgering helpt statushouders nauwelijks aan werk op niveau

De huidige inburgeringswet leidt wel tot meer begeleiding, maar nauwelijks tot werk op niveau. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Het rapport beslaat de jaren 2022 tot en met 2024 en gaat over bijna 65.000 statushouders. De conclusie is scherp. Inburgering duurt langer dan gepland. Het bereikte taalniveau is vaak lager. En de aansluiting op tekortsectoren blijft minimaal, stelt de Algemene Rekenkamer.
Sinds 2022 krijgen statushouders meer ondersteuning van gemeenten dan onder de vorige wet. Ook is het aanbod van taallessen op niveau B1 vergroot. Toch leidt dit niet tot wat de wet beoogt: snel en volwaardig meedoen aan de samenleving.
Volgens de Rekenkamer blijft veel arbeidspotentieel onbenut. Juist in sectoren waar de nood hoog is. Dat komt door een combinatie van factoren. Lange asielprocedures zorgen voor vertraging. Het vinden van vaste woonruimte kost tijd. Er is een tekort aan taaldocenten en kinderopvang. En betaald werk is lastig te combineren met verplichte taallessen.
De verantwoordelijke bewindspersonen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen niet vaststellen of het beleid werkt. Dat komt doordat belangrijke gegevens ontbreken. Werkervaring en opleidingsniveau van statushouders worden bij de start van het traject niet vastgelegd. Ook ontbreken duidelijke streefwaarden. Het gevolg is dat niet kan worden gemeten of het beleid daadwerkelijk bijdraagt aan ‘volwaardig meedoen’. Terwijl dat juist een kernbegrip is van de wet. Inburgeringsbeleid bestaat al sinds 1998, maar wetten volgden elkaar vaak op zonder dat effecten goed waren geëvalueerd.
Het inburgeringstraject begint gemiddeld pas na meer dan twee jaar. Dat komt door trage asielprocedures. Vervolgens is het doel dat statushouders het hoogst mogelijke taalniveau behalen. In de praktijk volgt een grote groep les op een laag niveau. Dat aantal is zelfs twee keer zo hoog als vooraf werd verwacht.
Het aanbod van taallessen op B2-niveau blijft beperkt. Ook de instroom in de onderwijsroute blijft achter. Die is ongeveer de helft van wat het doel was. Van de statushouders die drie jaar geleden met hun traject begonnen, had 28 procent betaald werk. Dat werk is meestal laagbetaald en tijdelijk. Vaak sluit het niet aan bij opleiding of ervaring uit het land van herkomst.
Zo werken verpleegkundigen in de horeca en universitair opgeleiden als flitsbezorger. Voor werk op niveau is vaak een hoger taalniveau en bijscholing nodig. Dat botst met de Participatiewet, die inzet op snelle uitstroom uit de bijstand.
In vergelijking met andere Europese landen duurt het in Nederland lang voordat statushouders op niveau kunnen werken. Vooral in de zorg. In Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn procedures korter en gerichter. In Duitsland werkten in 2024 ruim 5.800 gevluchte Syriërs als arts. Sommige vluchtelingen vertrokken zelfs vanuit Nederland naar Duitsland om daar wel hun beroep te kunnen uitoefenen. De Rekenkamer noemt het wensdenken om te verwachten dat statushouders tegelijk snel werken, hoge taalniveaus halen en aan alle verplichtingen voldoen. Gemeenten kunnen dat niet oplossen. Duidelijke keuzes zijn nodig op rijksniveau, stelt de Algemene Rekenkamer.




















































