Stikstofbeleid dreigt Nederlandse melkproductie uit te hollen

CONO Kaasmakers maakt zich grote zorgen over de gevolgen van het nieuwe stikstofbeleid. Directeur Jerry Griep vreest dat steeds meer melkveehouders verdwijnen en uiteindelijk te weinig Nederlandse melk overblijft om de kaasproductie op peil te houden. Daarom zoekt hij zelf contact met tientallen gemeenten en provincies, vertelt hij bij Noordhollands Dagblad.
De coöperatie uit Westbeemster telt ongeveer 360 aangesloten melkveehouders. Griep zegt bij bezoeken aan boeren veel onzekerheid en frustratie te merken. „Het gaat om de toekomst van mensen die bij ons werken en hun gezinnen thuis. Hoe ziet die eruit?”
Volgens hem stapelen de maatregelen zich op. Boeren krijgen niet alleen te maken met stikstofregels rond Natura 2000-gebieden, maar ook met beperkingen rond onder meer fosfaatrechten en het aantal dieren per hectare. Daarnaast dreigt verdere krimp van de veestapel als de stikstofdoelen in 2035 niet worden gehaald.
‘Te weinig melk om kaas te maken’
Griep waarschuwt bij Noordhollands Dagblad dat de gevolgen uiteindelijk ook bij de zuivelfabrieken terechtkomen.„Met de plannen die nu op tafel liggen, bestaat de kans dat wij te weinig melk hebben om onze kaas te blijven maken. Dat geldt voor de volledige sector.”
CONO heeft daar al ervaring mee. Begin 2025 verlieten ongeveer twintig boeren de coöperatie, onder meer vanwege onvrede over de melkprijs en strengere duurzaamheidseisen. Daardoor verloor de kaasmaker naar eigen zeggen zo'n 40 miljoen kilo melk.
Griep vreest bovendien dat een kleinere Nederlandse veestapel de melkproductie vooral naar het buitenland verplaatst. „Iedere koe die hier verdwijnt, keert ergens anders terug. En die gaat niet minder uitstoten dan bij ons, dat is één ding wat zeker is.”
Volgens hem kunnen grote zuivelbedrijven als Campina, Lactalis Leerdammer en Arla gemakkelijker melk uit het buitenland halen. Voor CONO ligt dat anders. „Wij zijn een Nederlandse coöperatie en zullen dat nooit doen.”
Brief naar 46 gemeenten en acht provincies
De directeur probeert daarom ook lokale bestuurders in beweging te krijgen. CONO stuurde vorige maand een brief naar 46 gemeenten en acht provincies waar boeren van de coöperatie actief zijn. Griep biedt daarin aan persoonlijk langs te komen om over de gevolgen van het beleid te praten.
Volgens hem kijkt de landelijke discussie te veel naar de tegenstelling tussen boeren en natuur, terwijl ook gezinnen, werknemers, transporteurs en andere bedrijven rond de zuivelsector worden geraakt. „Ik kan hier niet stil over blijven, dat gaat niet. Het is namelijk een veel breder verhaal dan alleen het conflict tussen veehouders en natuur.”
Binnenkort gaat Griep met wethouders in Alkmaar om tafel. Hij hoopt dat andere gemeenten en provincies volgen.
‘Evolutie en niet een revolutie’
CONO pleit niet voor het volledig schrappen van milieudoelen. Griep wil vooral meer tijd en maatwerk. „Via evolutie en niet een revolutie”, vat hij zijn gewenste aanpak samen. Volgens hem moet per boerenbedrijf worden gekeken naar de werkelijke uitstoot en naar maatregelen die lokaal aantoonbaar werken.
„Met tijd om te investeren om vastgestelde doelen te realiseren. Dat betekent per boerenbedrijf kijken wat de feitelijke uitstoot is en wat lokale en bewezen maatregelen zijn.” Ook de einddatum van 2035 vindt hij te dichtbij. „2035 is al over negen jaar, da's niets. Zeker voor een industrie die in vele decennia is geworden tot wat die nu is.”
CONO hoopt daarom via gesprekken met lokale en provinciale bestuurders meer ruimte te krijgen voor een geleidelijke aanpak. Volgens Griep staat daarbij niet alleen het voortbestaan van individuele boerenbedrijven op het spel, maar uiteindelijk ook de beschikbaarheid van Nederlandse melk voor de zuivelindustrie.




















































