D66-minister ontkent dat ze sprak met Moslimbroederschap ondanks bewijs

Onderwijsminister Rianne Letschert (D66) sprak in juni met de Moslim Studenten Associatie Nederland, die is aangesloten bij het omstreden FEMYSO-netwerk dat in buitenlandse onderzoeken aan de Moslimbroederschap wordt gelinkt. Na kritische Kamervragen van JA21 heeft Letschert die onderzoeken inmiddels gelezen, maar trekt ze daar geen verdere conclusies uit: volgens haar zijn buitenlandse bevindingen niet zomaar op Nederland toe te passen.
Letschert sprak in juni met vertegenwoordigers van MSA over sociale veiligheid en discriminatie in het hoger onderwijs. Op Instagram zette ze daarna een selfie met de studenten. „Goed om gisteren met de MSA om tafel te zitten!”, schreef ze. Volgens de minister ging het onder meer over de vraag hoe moslimstudenten „zichzelf te kunnen zijn op de campus”.
De ontmoeting leidde tot Kamervragen van JA21'ers Diederik Boomsma en Annabel Nanninga. Zij wilden weten of Letschert zich bewust was van de achtergrond van de organisatie waarmee ze sprak.
MSA officieel lid van FEMYSO
MSA Nederland is geen losse lokale studentenvereniging, maar een landelijke koepel van islamitische studentenverenigingen. De club vertegenwoordigt naar eigen zeggen tienduizenden moslimstudenten.
Daarnaast staat MSA officieel op de ledenlijst van FEMYSO, het Forum of European Muslim Youth and Student Organisations. Dat lidmaatschap is geen omstreden bewering: FEMYSO vermeldt MSA Nederland zelf als Nederlandse lidorganisatie. Ook de Nederlandse regering bevestigde dat al eerder.
Over FEMYSO bestaat wel discussie. Een Frans overheidsrapport over de Moslimbroederschap omschrijft FEMYSO volgens de Kamervragen als de jongerentak van de Council of European Muslims en als een structuur waar toekomstige kaderleden worden gevormd. Het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken publiceerde dat onderzoek in 2025 na een onderzoek naar politieke islam en de Moslimbroederschap.
MSA zelf ontkent een band met de Moslimbroederschap. De organisatie liet Letschert eerder weten wel lid te zijn van FEMYSO, maar „geen enkele verbinding” te hebben met de Moslimbroederschap.
Minister kende onderzoeken aanvankelijk niet
Boomsma en Nanninga vroegen Letschert eerder ook naar onderzoek van de Franse sociologe Florence Bergeaud-Blackler. Zij beschrijft Europese netwerken rond de Moslimbroederschap en stelt dat FEMYSO een rol speelt bij het opleiden van een nieuwe islamitische elite en bij politieke beïnvloeding.
Letschert bleek dat onderzoek aanvankelijk niet te kennen. Hetzelfde gold voor het Franse regeringsrapport.
JA21 kwam daarom met een tweede ronde Kamervragen. De minister heeft de stukken inmiddels gelezen, blijkt uit antwoorden van 7 september. Op meerdere vragen antwoordt ze kort: „Hier is kennis van genomen.”
Veel conclusies wil ze daar echter niet aan verbinden. Volgens Letschert kunnen buitenlandse bevindingen niet zonder meer op Nederland worden toegepast, omdat organisaties per land kunnen verschillen. „Als minister van OCW is het niet aan mij om te oordelen over de bevindingen van dit rapport”, schrijft ze.
Frankrijk neemt dreiging serieuzer
In Frankrijk heeft het onderzoek wel politieke gevolgen gekregen. President Emmanuel Macron vroeg zijn regering om te kijken naar strengere maatregelen. Ook nam het Franse parlement een resolutie aan waarin wordt gevraagd de Moslimbroederschap op de Europese terrorismesanctielijst te plaatsen.
Letschert wijst er in haar antwoorden op dat zo'n Europese plaatsing aan strenge voorwaarden is gebonden. In Nederland nam de Tweede Kamer eerder eveneens een motie aan die het kabinet oproept te onderzoeken of de Moslimbroederschap en gelieerde organisaties kunnen worden verboden.
De AIVD kan volgens het kabinet onderzoek doen wanneer er vermoedens zijn dat personen of organisaties een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde of nationale veiligheid.
Wel begrip voor wensen moslimstudenten
Tegelijkertijd neemt Letschert de zorgen die MSA bij haar neerlegde wel serieus. MSA wijst onder meer op een gebrek aan gebeds- en wasruimtes, halal eten en roosters die rekening houden met islamitische feestdagen. Volgens de minister moeten onderwijsinstellingen werken aan een omgeving waarin studenten zich „veilig en thuis” voelen.
Het landelijke studentenwelzijnsbeleid roept instellingen daarom op „passende faciliteiten” aan te bieden die bijdragen aan een inclusief studieklimaat. Hoe universiteiten en hogescholen dat precies doen, is volgens Letschert aan de instellingen zelf.























































