DENK: 'Moslims worden als zondebok gebruikt voor toenemende homohaat'

DENK-Kamerlid Doğukan Ergin verzet zich tegen het aanwijzen van moslims als belangrijke oorzaak van de sterk gedaalde homoacceptatie onder jongeren. Volgens hem worden bevolkingsgroepen te gemakkelijk als zondebok gebruikt. Onderzoek laat tegelijkertijd zien dat religie wel degelijk samenhangt met opvattingen over homoseksualiteit. Islamitische jongeren zijn gemiddeld minder tolerant dan christelijke en niet-religieuze jongeren.
Aan Ergins reactie ging een fel debat vooraf waarin meerdere Kamerleden juist wél een verband legden met islam, religie of migratieachtergrond. JA21-Kamerlid Clemminck sprak over „islamitische intolerantie” en noemde de islam „de grootste en gevaarlijkste kop van een veelkoppig monster”. Ook René Claassen van Groep Markuszower wilde de islam expliciet benoemen. BBB-leider Caroline van der Plas wees daarnaast op de lagere homoacceptatie onder jongeren met een migratieachtergrond.
Ergin verzette zich daar vervolgens tegen. Hij erkende dat het slecht gaat met de tolerantie in Nederland, maar waarschuwde voor zondebokdenken. „‘Kijk, het ligt allemaal aan de moslim’ wordt er dan gezegd. Alles wordt dan in de schoenen van Nederlanders met een migratieachtergrond geschoven.” Ook vroeg hij het kabinet afstand te nemen van een situatie waarbij „de ene minderheid wordt misbruikt als een stok om een andere minderheid mee te slaan”.
Op X zette Ergin die lijn voort. Zijn opmerking dat hij zich afvroeg „onder welke steen collega Kamerleden leven” sloeg daarmee op politici die tijdens het debat islam en migratie nadrukkelijk aan de dalende homoacceptatie koppelden. „Minderheden bescherm je niet door andere minderheden voor de bus te gooien en als zondebok aan te wijzen”, schreef hij.
Steeds vaker vraag ik me af onder welke steen collega Kamerleden leven.
— Doğukan Ergin (@dknergin) September 22, 2026
Komen ze weleens op straat, in de wijken? Of leven ze alleen in hun X-bubbel?
Minderheden bescherm je niet door andere minderheden voor de bus te gooien en als zondebok aan te wijzen. pic.twitter.com/a7bOA1Bkg4
Homoacceptatie keldert
Aanleiding voor de politieke discussie zijn nieuwe landelijke cijfers. Uit het representatieve HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut blijkt dat de houding tegenover homoseksualiteit tussen 2021 en 2025 fors negatiever is geworden. Bij jongens in het voortgezet onderwijs daalde het aandeel met een positieve houding van ongeveer 40 naar 22 procent. Bij meisjes ging het van 78 naar 51 procent.
Ook migratieachtergrond hangt in dat onderzoek samen met de uitkomsten. Van de jongeren zonder migratieachtergrond heeft 40,1 procent een positieve houding tegenover homoseksualiteit. Onder jongeren met een migratieachtergrond is dat 31 procent. Het verschil is volgens de onderzoekers statistisch significant. Ook zeggen jongeren met een migratieachtergrond minder vaak dat iemand op school eerlijk voor homoseksualiteit kan uitkomen: 39,7 tegenover 47 procent.
Dat betekent niet dat migratieachtergrond de oorzaak is van de sterke daling sinds 2021. Het onderzoek toont een samenhang. De landelijke terugval is bovendien niet tot één groep beperkt.
Islamitische jongeren gemiddeld terughoudender
Een afzonderlijk onderzoek van de Universiteit van Amsterdam maakt het beeld specifieker. Ruim 31.000 jongeren werden onderzocht op verschillende lhbtiq+-opvattingen. Religie had volgens de onderzoekers een klein tot middelgroot effect.
Van de islamitische jongeren viel 86 procent aan de relatief conservatieve kant van de gebruikte schaal. Onder christelijke jongeren was dat 69 procent en onder niet-religieuze jongeren 48 procent. De onderzoekers benadrukken dat het om een relatieve schaal gaat. Het betekent dus niet dat 86 procent van de islamitische jongeren homoseksualiteit afwijst of homofoob is.
Kabinet wil islam niet uitsluiten van onderzoek
Staatssecretaris Judith Tielen van Onderwijs en Emancipatie wees religie tijdens het debat evenmin van de hand als mogelijke factor. Volgens haar hebben religie en religieus conservatisme invloed op opvattingen over lhbtiq+-acceptatie. Ook bestaan er volgens haar verschillen tussen religies. Het kabinet wil die verschillen nader analyseren.
Toen vanuit de Kamer expliciet werd gevraagd om de islam in het beleid te benoemen, bleef Tielen voorzichtig. „We zien dat religie invloed heeft”, zei ze. Daarbij noemde zij zowel de islam als orthodoxe stromingen binnen het christendom. Voor hardere conclusies vindt zij meer analyse nodig.
Dat staat naast Ergins waarschuwing tegen het aanwijzen van één bevolkingsgroep. Tielen zei eveneens niet van „zondebokpolitiek” te houden, maar voegde eraan toe dat op basis van cijfers wel moet worden onderzocht waar oorzaken en oplossingen liggen.
Verschillen tussen Amsterdamse scholen enorm
Ook Amsterdam levert opvallende cijfers op. Daar vond in 2021 nog 63 procent van de jongeren in klas 2 en 4 het normaal als twee mensen van hetzelfde geslacht verliefd op elkaar zijn. In 2023 was dat nog maar 43 procent. Onder jongens lag het aandeel op 32 procent, tegenover 53 procent onder meisjes.
Achter dat stedelijke gemiddelde zitten zeer grote verschillen. GGD-deskundigen vertelden in 2025 aan de gemeenteraad dat de acceptatie op sommige scholen rond 89 procent lag en op andere scholen rond 9 procent. Ook tussen stadsdelen zijn verschillen. In Nieuw-West, Noord en Zuidoost lag de acceptatie lager. De GGD noemde daarnaast jongens, tweedeklassers, vmbo-leerlingen en jongeren met een niet-Nederlandse herkomst als groepen waarin de acceptatie gemiddeld lager lag. Desondanks wil de verantwoordelijke wethouder Esmah Lahlah (PRO) niet ingrijpen.




















































