Minister krijgt advies om statushouders vaker tussen autochtone Nederlanders te huisvesten

Statushouders zouden waar mogelijk terecht moeten komen in gemeenten waar relatief veel Nederlanders zonder migratieachtergrond wonen. Dat adviseert het WODC na onderzoek onder ruim 3.000 Syriërs. Volgens het onderzoeksinstituut hebben statushouders daar vaker contact met Nederlandse buren, vrienden en kennissen. Het effect blijft jaren later zichtbaar.
Lees ook

D66-Kamerlid wil alle 60.000 Ceuta-bestormers in procedure nemen: "Europa is een rechtsstaat"
De aanbeveling komt op een opvallend moment. Minister Bart van den Brink (CDA) voert de druk op gemeenten op om meer asielopvang te realiseren. Inmiddels staan 42 gemeenten onder actief toezicht omdat zij volgens het ministerie onvoldoende uitvoering geven aan de Spreidingswet. Dat gaat formeel om asielzoekers in opvanglocaties, niet om de huisvesting van statushouders. Die twee dossiers moeten dus uit elkaar worden gehouden.
Eerste woonplaats werkt jaren door
Het nieuwe onderzoek draait om Syriërs die tussen 2014 en medio 2016 een verblijfsvergunning kregen. Voor deze groep was de verdeling over Nederland destijds grotendeels niet gebaseerd op hun eigen voorkeur. Daardoor konden onderzoekers relatief goed bekijken welke invloed de eerste woonplaats later had.
Voor het onderzoek zijn gegevens van ruim 3.000 Syriërs gebruikt. Zij werden in 2017, 2019 en 2022 ondervraagd. Het WODC concludeert dat wonen in een gemeente met meer inwoners zonder migratieachtergrond samenhangt met meer contact met Nederlanders. Dat gaat niet alleen om buren, maar ook om vrienden en kennissen. Het contact met andere groepen neemt daardoor volgens het onderzoek niet af.
Opvallend is dat het verschil na vijf jaar nog steeds zichtbaar was. De onderzoekers hadden verwacht dat het belang van de eerste woonplaats na verloop van tijd kleiner zou worden. Dat gebeurde niet.
Het WODC trekt daar een duidelijke beleidsconclusie uit: „Beleidsmakers zouden er daarom goed aan doen om, waar mogelijk, statushouders te plaatsen in gemeenten met veel Nederlanders zonder migratieachtergrond.”
Effect van woonregio blijft beperkt
Die aanbeveling is steviger dan de omvang van sommige gemeten verschillen doet vermoeden. In het bredere WODC-onderzoek Tien jaar later wordt het effect van de woonregio zelf omschreven als klein, maar niet verwaarloosbaar. Andere factoren, zoals de plaatselijke arbeidsmarkt, taalvaardigheid en persoonlijke omstandigheden, wegen eveneens zwaar.
Het WODC benadrukte eerder deze maand bijvoorbeeld dat lange asielprocedures en veel verhuizingen nadelig uitpakken. Een korte opvangperiode, snel zelfstandige huisvesting krijgen, Nederlands leren en vroeg kunnen werken hangen juist samen met betere kansen op langere termijn.
Sociale contacten nemen juist af
Het onderzoek maakt deel uit van een veel groter tienjarig onderzoek naar Syriërs die tijdens de vluchtelingencrisis naar Nederland kwamen. Dat levert een gemengd beeld op.
De arbeidsparticipatie is sterk gestegen, vooral onder mannen. Tegelijk nemen sociale contacten naarmate Syriërs langer in Nederland wonen juist af. Dat geldt zowel voor contacten met Nederlanders zonder migratieachtergrond als met andere Syriërs. Ook voelen deelnemers zich vaker eenzaam en minder thuis en melden zij vaker discriminatie. Het WODC schrijft dat dit ingaat tegen klassieke integratietheorieën, waarin wordt verwacht dat taal, werk en sociale contacten elkaar na verloop van tijd juist versterken.
Het onderzoek is uitgevoerd door het WODC, de Erasmus Universiteit Rotterdam en het CBS en wordt gefinancierd door de ministeries van Sociale Zaken en Justitie en Veiligheid. Het volgt hetzelfde cohort Syriërs sinds 2017.
Geen directe koppeling met Spreidingswet
De aanbeveling betekent niet dat de 42 gemeenten die nu onder toezicht staan automatisch meer statushouders moeten krijgen. De Spreidingswet regelt de verdeling van opvangplekken voor asielzoekers. Statushouders hebben al een verblijfsvergunning en moeten vervolgens door gemeenten worden gehuisvest via een afzonderlijke taakstelling.
Dat onderscheid speelt juist bij een aantal gemeenten op de toezichtlijst. Zij wijzen erop dat zij wel Oekraïners opvangen of statushouders huisvesten, maar dat dit niet meetelt bij hun wettelijke asielopgave. Minister Van den Brink houdt vast aan de afzonderlijke taak uit de Spreidingswet.
De vraag is nu of het kabinet de nieuwe WODC-aanbeveling daadwerkelijk gaat verwerken in het huisvestingsbeleid. Het onderzoeksinstituut adviseert in ieder geval om niet alleen te kijken hoeveel statushouders iedere gemeente krijgt, maar ook naar de samenstelling van de gemeente waarin iemand zijn eerste jaren in Nederland doorbrengt.
























































