Windmolens in het bos: verwoestend gevolg voor natuur en landschap

Windmolens worden vaak gepresenteerd als schone energie. Ze leveren stroom zonder directe uitstoot van gas, kolen of olie. Maar zodra windturbines in bossen worden gebouwd, ontstaat een heel ander beeld. Dan gaat het niet alleen over duurzame stroom, maar ook over boskap, zware bouwplaatsen, betonnen funderingen, nieuwe wegen, kabeltracés en ingrepen in leefgebieden van dieren.
De discussie hierover groeit in Duitsland. In Beieren zorgt de geplande bouw van windmolens in bosgebieden al langer voor verzet. Tegenstanders wijzen erop dat een windpark in een bos veel meer vraagt dan een paar masten tussen de bomen. Voordat een turbine draait, moet het landschap eerst geschikt worden gemaakt voor zwaar transport, bouwkranen en onderhoud.
Daarmee raakt de discussie aan een gevoelig punt in het klimaatbeleid. Want wat betekent “groene energie” nog als daarvoor bos moet verdwijnen? En hoe schoon is windstroom wanneer de bouw ervan diepe sporen nalaat in bodem, natuur en landschap?
Windpark begint met kap en wegenbouw
Bij een windmolen in het bos draait het niet alleen om de plek waar de mast komt te staan. Eerst moeten onderdelen naar de bouwlocatie worden gebracht. Moderne rotorbladen zijn vaak tientallen meters lang. Dat transport past niet zomaar over smalle boswegen.
Daarom moeten wegen worden verbreed. Bochten moeten ruimer worden gemaakt. Soms moeten bestaande boswegen worden verstevigd met extra lagen steen. Ook zijn kabeltracés nodig om de opgewekte stroom af te voeren. Daarnaast worden afwateringssystemen en bouwterreinen aangelegd.
Juist die voorbereidende werkzaamheden veranderen het bos al flink. Bomen verdwijnen niet alleen op de plek van de turbine, maar ook langs de aanvoerroutes. De bouwplaats zelf kan groot zijn. Voor zware kranen is veel ruimte nodig. Ook moet er plek zijn voor onderdelen, machines en tijdelijke opslag.
De Duitse bosbouwdeskundige Josef Erhard vat zijn kritiek kort samen: “Windkracht in het bos, dat betekent boskap.” Volgens hem is het verwijderen van bos de zwaarste ingreep die je een bos kunt aandoen. “Het is niet de bosbrand, het is niet de stormschade, het is niet de schorskever. Het is simpelweg de verwijdering van het bos.”
Duizenden tonnen beton in de bodem
Een ander belangrijk punt is de fundering. Windmolens zijn hoog en zwaar. Zeker turbines van 200 tot 250 meter vragen om een stevige basis. Daarvoor worden grote hoeveelheden staal en beton gebruikt.
Volgens critici verdwijnen er bij zulke installaties duizenden tonnen staalbeton in de grond. Die fundering blijft vaak langdurig in de bodem aanwezig. Zelfs als een windmolen na jaren wordt afgebroken, is volledige verwijdering niet altijd eenvoudig.
Daar komt bodemverdichting bij. Tijdens de bouw rijden zware vrachtwagens, kranen en machines over de grond. Daardoor wordt de bodem samengedrukt. In een bos kan dat grote gevolgen hebben voor waterhuishouding, wortelgroei en bodemleven.
Na afloop wordt vaak gesproken over herstel of herbeplanting. Maar tegenstanders betwijfelen of het oorspronkelijke bos daarmee echt terugkomt. Een nieuw ingezaaid terrein is niet hetzelfde als een oud bos met een ontwikkeld bodemleven, een gesloten kroonlaag en vaste leefgebieden voor dieren.
Dieren verliezen rust en leefgebied
Windparken in bossen roepen ook vragen op over dierenbescherming. Bossen zijn leefgebieden voor vogels, vleermuizen, insecten en zoogdieren. Bij de bouw kunnen rustgebieden verdwijnen of versnipperd raken.
Vooral vleermuizen en roofvogels worden vaak genoemd in de discussie over windmolens. Zij kunnen botsen met rotorbladen. Ook kunnen vleermuizen schade oplopen door drukverschillen rond draaiende wieken. Daarnaast kan langdurige bouwactiviteit dieren uit hun gebied verdrijven.
Erhard noemt windmolens in dit verband “schredderinstallaties”. Dat is een harde kwalificatie. Zijn punt is dat de gevolgen voor dieren volgens hem te weinig worden meegewogen. Hij wijst daarbij niet alleen op vogels en vleermuizen, maar ook op insecten en de bredere voedselketen.
De gevolgen zijn volgens critici lastig precies te meten. Niet elk slachtoffer wordt gevonden. Ook indirecte effecten, zoals het mijden van gebieden of verstoring van voortplanting, zijn moeilijker zichtbaar te maken dan een gekapte boom of een aangelegde weg.
Zorg over water en bodem
Bossen spelen een belangrijke rol in de waterhuishouding. Ze houden water vast, filteren regenwater en beschermen de bodem. Daarom waarschuwen tegenstanders van windmolens in bossen ook voor mogelijke gevolgen voor grondwater en drinkwater.
Bij de aanleg van funderingen, wegen en kabeltracés wordt diep in de bodem gewerkt. Dat kan invloed hebben op waterstromen. Ook kunnen bouwmaterialen, olie of andere stoffen een risico vormen bij lekkage of slijtage.
Erhard noemt het bos “ons grootste drinkwaterreservoir”. Volgens hem is onvoldoende bekend wat de bouw van windmolens in de ondergrond doet, zeker in kwetsbare bosgebieden. Ook wijst hij op chemische stoffen die mogelijk vrijkomen door slijtage van rotorbladen.
Daarbij noemt hij PFAS en Bisfenol A. Zulke stoffen worden volgens hem gebruikt in coatings en kunststoffen van rotorbladen. Door wind, zand, regen en slijtage zouden deeltjes in het milieu kunnen komen. Over de omvang van dat probleem bestaat discussie, maar de zorg past in een bredere vraag: welke verborgen milieukosten zitten er aan windenergie?
‘Schone energie’ met internationale grondstoffen
Een windmolen wekt stroom op zonder rookpluim. Toch is de productie niet vrij van milieubelasting. Voor turbines zijn staal, beton, koper, kunststoffen en zeldzamere materialen nodig. Die grondstoffen komen vaak uit het buitenland.
Critici wijzen erop dat winning en verwerking van deze materialen gevolgen hebben voor natuur en gemeenschappen elders. Erhard noemt onder meer balsahout uit Zuid-Amerika en ertsen uit landen als Chili en Peru. Volgens hem wordt dit deel van het verhaal te vaak vergeten.
Zijn kritiek richt zich vooral op het beeld dat windenergie zonder nadelen zou zijn. Hij noemt dat “het sprookje van de schone energie”. Daarmee bedoelt hij niet dat windmolens geen stroom leveren, maar dat de totale milieurekening volgens hem onvolledig wordt gepresenteerd.
Bos als industriegebied
Naast natuur en bodem speelt ook het landschap een rol. Windmolens van moderne omvang steken ver boven het bos uit. Waar bomen vaak 30 tot 40 meter hoog zijn, kunnen turbines 200 meter of hoger worden. Daardoor zijn ze van grote afstand zichtbaar.
Voor bewoners en recreanten verandert daarmee de ervaring van het landschap. Bossen worden niet alleen gezien als houtproductiegebied of natuurgebied, maar ook als rustplek. Mensen wandelen er, zoeken stilte en willen afstand van drukte en industrie.
Erhard zegt daarover: “Geen mens maakt een wandeling in een industriegebied. De mensen zoeken allemaal het bos. Ze zoeken de stilte van het bos.” Volgens hem gaat met windparken in bossen een belangrijke waarde verloren die niet makkelijk in geld is uit te drukken.
Energiezekerheid blijft discussiepunt
Voorstanders van windenergie wijzen op de noodzaak om minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen. Windmolens kunnen daar een bijdrage aan leveren. Zeker op plekken met veel wind kan de opbrengst aanzienlijk zijn.
Toch is de locatiekeuze belangrijk. In delen van Zuid-Duitsland, waaronder Beieren, waait het minder hard dan aan de kust of in Noord-Duitsland. Volgens Erhard is het Beierse Woud een zwakwindgebied. Hij stelt dat windmolens daar economisch alleen mogelijk zijn door subsidies.
Daarnaast blijft de vraag wat er gebeurt op momenten zonder wind en zon. Dan zijn andere energiebronnen nodig als reserve. Dat kunnen gascentrales, kolencentrales, waterkracht, kernenergie of import zijn. Daardoor draait de discussie niet alleen om hoeveel windmolens er komen, maar ook om het hele energiesysteem erachter.





















































