Wet van Hugo de Jonge faalt, middenhuur verdwijnt uit de markt: 'Puur populisme'

De Wet betaalbare huur van voormalig woonminister Hugo de Jonge heeft na twee jaar niet het gewenste resultaat opgeleverd. Het aantal vrijkomende huurwoningen is sinds de invoering met een derde gedaald. Vastgoedondernemers en projectontwikkelaars stellen dat de regels beleggers wegjagen en de middenhuur vrijwel hebben laten verdwijnen.
De wet ging in 2024 van kracht en moest naar eigen zeggen woningen in het middensegment goedkoper maken. Daarvoor werd het woningwaarderingsstelsel uitgebreid van 143 naar 186 punten. Dit systeem bepaalt hoeveel huur een verhuurder maximaal voor een woning mag vragen.
Verhuurders verkopen hun woningen
Door de lagere toegestane huurprijzen konden investeerders minder rendement behalen. Veel eigenaren besloten hun huurwoningen daarom te verkopen. De woningen kwamen zo niet langer beschikbaar voor mensen die afhankelijk zijn van de huursector.
Vastgoedondernemer Marcel Melis bezat vijftig woningen in Amsterdam. Ook hij koos ervoor om zijn bezit te verkopen in plaats van te blijven verhuren. ‘Ik heb voornamelijk aan expats verkocht’, zei Melis in Stand van Nederland op NPO Radio 1.
Volgens Melis kunnen veel Nederlandse woningzoekenden de verkoopprijzen in Amsterdam niet betalen. ‘Mijn ervaring is dat zelfs een Nederlands stel niet in staat is om een woning in Amsterdam te kopen. Die kosten namelijk al gauw een ton of vijf.’ Over het huuraanbod zei hij: ‘Er is letterlijk geen woning in de middenhuur meer te vinden.’
Nederland telt acht miljoen woningen. Daarvan bestaat 57 procent uit koopwoningen en 31 procent uit sociale huurwoningen. De resterende 12 procent is gelijk verdeeld over de vrije huursector en de middenhuur.
Verkeerde groep profiteert
Projectontwikkelaar Maarten de Gruyter zegt dat de verkochte huurwoningen bij een andere groep terechtkwamen dan waarvoor de wet was bedoeld. ‘Doordat al deze woningen massaal in de verkoop kwamen, zijn ze nu in handen gekomen van de verkeerde doelgroep: mensen die wel in staat waren om de woning te kopen.’ Volgens hem hebben de beoogde huurders daardoor niet geprofiteerd.
De Gruyter ziet vooral problemen doordat de regels ook voor bestaande huurwoningen gelden. ‘Dat jaagt beleggers weg, want zij kregen opeens een veel lager rendement op een bestaande belegging.’ Investeerders zouden Nederland daardoor niet langer als een betrouwbare markt zien.
Volgens De Gruyter hadden de regels alleen voor nieuwe projecten moeten gelden. Investeerders zouden dan vooraf weten onder welke voorwaarden zij bouwen. Over de keuze om bestaande woningen ook onder de wet te brengen, zei hij: ‘Puur populisme.’
Ook de inkomensregels zorgen volgens hem voor knelpunten. Een huurder in Amsterdam mag voor een middenhuurwoning maximaal 1,8 keer het modale inkomen verdienen. ‘Als je een stel hebt dat allebei fulltime werkt, dan zit je daar al snel boven. Ofwel: die mensen zijn aangewezen op het kleine aantal huurwoningen in de vrije sector. Hier is gewoon niet over nagedacht’, besloot De Gruyter.























































