Nederland krijgt steeds meer overheid, maar steeds minder resultaat

Nederland heeft de laatste decennia een merkwaardig talent ontwikkeld. We lossen crises niet meer op, we voegen ze toe aan de collectie. Asielcrisis. Woningcrisis. Stikstofcrisis. Energiecrisis. Netcongestie. Problemen in het onderwijs en met de koopkracht. De ene crisis is nog niet bezworen of de volgende dient zich alweer aan. Eén ding blijkt ondertussen wonderbaarlijk crisisbestendig: de groei van de overheid.
In zes jaar tijd kwamen er volgens recente cijfers zo’n 43.000 rijksambtenaren bij, een groei van 38 procent. De loonkosten stegen in diezelfde periode zelfs met 68 procent. Je zou verwachten dat met zoveel extra mensen ook af en toe een probleem van het lijstje kan worden afgestreept. Het tegendeel lijkt te gebeuren.
Voor ieder probleem kent Den Haag inmiddels ongeveer hetzelfde recept. Een programma. Een programmamanager. Een stuurgroep. Een coördinator. Een monitor. Een voortgangsrapportage. En wanneer na drie jaar blijkt dat het probleem nog steeds bestaat, volgt een evaluatie met de aanbeveling het beleid te intensiveren. Daar zijn vervolgens weer nieuwe mensen voor nodig.
De basis van Nederland begint te kraken
Begrijp me goed: Nederland heeft mensen bij de overheid hard nodig. Politieagenten. Militairen. Mensen in de zorg. En vakmensen die sluizen bedienen, wegen onderhouden en bruggen repareren. Minder mensen die beleid over infrastructuur maken, meer mensen die ervoor zorgen dat we er daadwerkelijk overheen kunnen rijden.
Want juist daar begint het te kraken. De Algemene Rekenkamer heeft gewaarschuwd voor de enorme onderhoudsopgave bij Rijkswaterstaat. Het verschil tussen wat tot 2038 voor instandhouding nodig wordt geacht en het beschikbare budget bedraagt ongeveer 34,5 miljard euro. Dat klinkt als een abstract Haags miljardenbedrag, totdat je met een vrachtwagen over een brug wilt.
Een vrachtwagen rijdt niet op beleidsnota’s
Sinds deze zomer mag zwaar vrachtverkeer niet meer over de Merwedebrug in de A27 bij Gorinchem, omdat Rijkswaterstaat de constructieve veiligheid voor vrachtwagens niet meer kan garanderen. En wie denkt dat zoiets alleen een probleem van Rijkswaterstaat is, begrijpt niet hoe een economie werkt. Een vrachtwagen die moet omrijden maakt extra kilometers. Dat kost brandstof, chauffeursuren en geld. De transporteur verwerkt dat in zijn tarieven. De producent krijgt een hogere kostprijs. En uiteindelijk verschijnt een deel daarvan weer op het kassabonnetje van de consument.
Zo maken we Nederland twee keer duurder. Eerst innen we hoge belastingen. Vervolgens onderhouden we van dat geld onze infrastructuur onvoldoende, waardoor bedrijven extra kosten maken die opnieuw bij de burger terechtkomen. Een economie rijdt niet op beleidsnota’s. Soms moet er gewoon een vrachtwagen over een brug.
Maak van de vrijheidsbijdrage een echte investering
En daar ligt ook een kans. Den Haag vraagt de Nederlander de komende jaren miljarden extra voor onze veiligheid. Daar is zelfs een prachtige term voor bedacht: de vrijheidsbijdrage. Een belastingverhoging klinkt vervelend. Een vrijheidsbijdrage klinkt bijna alsof je ondankbaar bent wanneer je hem niet met plezier betaalt.
Maar als we die bijdrage dan toch vragen, maak er dan een echte vrijheidsbijdrage van. Binnen de nieuwe NAVO-afspraken is naast defensie ook ruimte voor investeringen in bredere veiligheid en kritieke infrastructuur. Gebruik die ruimte. Reserveer wat mij betreft 15 miljard euro voor militaire mobiliteit en infrastructuur. Versterk bruggen. Pak knelpunten op het spoor aan. Zorg dat havens goed bereikbaar blijven en maak wegen geschikt voor zwaar transport. Niet door bestaande uitgaven opeens van een NAVO-etiket te voorzien, maar door werkelijk te investeren. Want tanks rijden óók niet op beleidsnota’s.
Nederland is een belangrijk doorvoerland voor NAVO-versterkingen richting de oostflank. De infrastructuur waarover morgen militair materieel moet worden vervoerd, wordt vandaag gebruikt door Nederlandse bedrijven. Daar profiteert onze veiligheid van én onze economie. Als de Nederlander dan toch een vrijheidsbijdrage moet betalen, laat hem dan tenminste kunnen zien waar zijn vrijheid overheen rijdt.
De belastingbetaler stemt met zijn voeten
Tegelijk prijzen we onszelf steeds verder uit de markt. Bijna één op de vijf Nederlanders gaat minstens eenmaal per maand speciaal naar Duitsland of België om aankopen te doen. Benzine, tabak, drogisterijartikelen en boodschappen: het prijsverschil maakt de autorit aantrekkelijk. Toen ik bij de behandeling van het Belastingplan 2026 in de Eerste Kamer voor dit effect waarschuwde, werd daar nogal lacherig over gedaan. Inmiddels rijden volgens De Telegraaf zelfs klanten vanuit Alkmaar naar Duitsland voor hun boodschappen. Alkmaar. Als dit zo doorgaat, hoeven we het probleem van de grensprovincies niet meer op te lossen. We maken gewoon heel Nederland tot grensprovincie.
De belastingbetaler is geen pinautomaat. Je kunt belastingen en accijnzen verhogen, maar je kunt mensen niet verplichten daarna hetzelfde gedrag te blijven vertonen. Op enig moment kopen ze minder, rijden ze naar het buitenland, investeren ze anders of vertrekken ze zelf. In 2020 emigreerden ruim 30.000 in Nederland geboren mensen. In 2025 waren het er bijna 49.000. Natuurlijk vertrekt niet iedereen vanwege belastingen of overheidsbeleid, maar de ontwikkeling zou Den Haag wel aan het denken mogen zetten.
Hetzelfde geldt voor bedrijven. Ongeveer één op de vijf Nederlandse ondernemingen overweegt activiteiten geheel of gedeeltelijk naar het buitenland te verplaatsen. Daarvoor hoeft morgen niet meteen een fabriek te sluiten. Het is al genoeg wanneer de bestaande fabriek hier blijft staan, maar de volgende in de Verenigde Staten, Oost-Europa of Azië wordt gebouwd. Dan verdwijnen de banen en belastingopbrengsten van morgen zonder dat er ooit een breaking-newsmelding aan te pas komt.
Welvaart moet eerst worden verdiend
Een verzorgingsstaat kan alleen bestaan wanneer er eerst welvaart wordt verdiend. Je kunt arbeid, vermogen, energie, autorijden, sparen, beleggen en ondernemen belasten. Voor iedere verhoging bestaat wel een beleidsmatige rechtvaardiging. Maar uiteindelijk reageren mensen. De consument stemt met zijn winkelwagen. De burger met zijn voeten. De ondernemer met zijn investeringen.
En vervolgens verbaast Den Haag zich over het lage vertrouwen in de politiek. Misschien begrijpt de burger het probleem juist heel goed. Hij ziet een overheid die groter wordt, rekeningen die stijgen en steeds nieuwe programma’s en fondsen. Ondertussen zoekt zijn kind vergeefs naar een woning, wacht zijn bedrijf op een stroomaansluiting en moet een vrachtwagen omrijden omdat hij niet meer over een snelwegbrug mag.
De belangrijkste vraag voor Den Haag zou daarom niet moeten zijn: hoeveel geld kunnen we nog ophalen? Maar: wat krijgt de Nederlander eigenlijk terug voor het geld dat we al ophalen? Misschien wordt het tijd dat Jetten zijn belastingplannen daarop aanpast. Minder belasting. Minder beleid. Meer vakmanschap. Meer resultaat. Dat lijkt mij een betere vrijheidsbijdrage.
























































