Onderzoeker zet vraagtekens bij stikstofbeeld Veluwe: ‘Metingen laten stabieler natuurbeeld zien’

De stikstofcrisis houdt Nederland ook begin 2026 stevig in zijn greep. De Veluwe geldt daarbij vaak als hét voorbeeld van een natuurgebied dat zwaar onder druk staat. Volgens onderzoeker Henri Prins klopt dat beeld niet overal. Metingen volgens het officiële Natura 2000-protocol laten een veel genuanceerder werkelijkheid zien, schrijft hij in een ingezonden opiniestuk in De Stentor.
Prins baseert zich op bodemmetingen en ecologische indicatoren die in het beleid minder zwaar zouden meewegen dan rekenmodellen. Dat verschil is geen academische discussie, stelt hij. Het heeft directe gevolgen voor vergunningverlening, natuurbeheer en juridische besluiten.
De Ecologische Autoriteit omschrijft de Veluwe als “het grootste aaneengesloten stikstofgevoelige natuurgebied van Nederland dat zwaar lijdt”. Dat oordeel steunt vooral op berekeningen van stikstofdepositie via het AERIUS-model. Feitelijke metingen spelen daarbij een kleinere rol.
Juist omdat dit oordeel zo zwaar weegt, besloot Prins het te toetsen aan het officiële Natura 2000-monitoringsprotocol. Dat protocol is bedoeld om de feitelijke staat van habitats en soorten vast te stellen, los van aannames en modellen.
Bodemmetingen geven ander beeld
Uit die toetsing komt volgens Prins een ander beeld naar voren. Zeventig procent van de ruim duizend bodemmonsters, onderzocht door erkende laboratoria, laat geen verzuring of overmatige stikstofverrijking zien. Slechts twaalf procent wijst op sterke verzuring of duidelijke stikstofproblemen.
Dat vraagt volgens hem om gerichte aandacht, maar rechtvaardigt niet het algemene beeld van een natuurgebied dat overal zwaar lijdt. “Dit verschil tussen meten en rekenen is geen detail,” benadrukt Prins. “Het stuurt beleid en bepaalt of ingrijpende maatregelen worden afgedwongen.”
Ecologie grotendeels stabiel
Niet alleen de bodem, ook andere ecologische indicatoren geven een stabieler beeld. Typische plant- en diersoorten, die bepalend zijn voor de staat van instandhouding van Natura 2000-habitats, zijn op veel plekken in voldoende aantallen aanwezig.
Ook de structuur en ecologische functies van verschillende habitattypen scoren goed. Dat zegt iets over de veerkracht van het systeem. Die veerkracht wordt volgens Prins bepaald door een samenspel van factoren, zoals beheer, waterhuishouding en bodemkwaliteit, en niet door één drukfactor alleen.
Vogels doen het beter dan verwacht
Dat beeld komt ook terug bij beschermde soorten. In eerdere analyses werden elf Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten genoemd waarvoor stikstof een mogelijke bedreiging zou vormen. Voor zeven daarvan zouden de instandhoudingsdoelen zonder ingrijpende maatregelen nauwelijks haalbaar zijn.
Recente tellingen laten iets anders zien. Volgens cijfers van SOVON broeden inmiddels 100 tot 120 paren wespendieven op de Veluwe. Daarmee is het doel gehaald. Ook de zwarte specht doet het beter dan verwacht, met ongeveer 490 paren bij een doelstelling van meer dan 400. De draaihals, waarvoor een hervestigingsdoel gold, komt inmiddels voor met minstens 220 paren.
Minder eenduidig dan vaak gesteld
Volgens Prins betekent dit niet dat stikstof geen rol speelt. Wel dat de invloed ervan minder uniform en minder doorslaggevend is dan vaak wordt aangenomen. Zowel habitats als beschermde soorten staan er op veel plekken beter voor dan eerdere analyses en het oordeel van de Ecologische Autoriteit doen vermoeden.
Dat vraagt volgens hem om herijking van het beleid. Niet door bescherming los te laten, maar door beter te kijken naar wat er lokaal echt gebeurt.
Eerst meten, dan ingrijpen
Prins trekt een vergelijking met de gezondheidszorg. Daar wordt eerst gemeten, dan een diagnose gesteld en pas daarna behandeld. Artsen baseren hun beslissingen op waarnemingen, niet uitsluitend op risicomodellen.
Diezelfde logica zou volgens hem ook moeten gelden voor Natura 2000-gebieden. Als monitoring laat zien dat de natuur stabiel is of verbetert, is ingrijpen niet nodig. Wordt achteruitgang vastgesteld, dan vraagt dat eerst om een lokale oorzaakanalyse.
Stikstof kan daarbij een factor zijn, maar ook waterbeheer, verstoring, beheerkeuzes of natuurlijke successie spelen vaak een rol. Pas daarna kan worden bepaald welke maatregelen effectief en proportioneel zijn.
De Veluwe laat volgens Prins zien wat er gebeurt wanneer metingen en berekeningen uit elkaar lopen. Dat vraagt niet om minder natuurbeleid, maar om preciezere en beter onderbouwde keuzes. Monitoring moet daarbij het vertrekpunt zijn, niet het sluitstuk.
















































