De dappere Iraanse leeuwinnen
Stelt u zich eens voor: gisteravond, tijdens de opstand in Iran. Een jonge vrouw in Teheran, haar lange donkere haren bewegen vrij in de wind, waarschijnlijk voor het eerst in het openbaar. Haar ogen zijn nat van woede en tranen tegelijk, ze gaat volledig op in het moment, daar in de menigte, samen met honderden andere vrouwen. In haar hand heeft ze een stuk stof, een vormeloze lap stof die ze haar hele leven op haar hoofd heeft moeten dragen. Die lap stof, dat vod, bepaalde wie ze mocht zijn en vooral wie niet. Met het vuur in haar ogen steekt ze het aan, ze observeert als de vlammen langzaam, maar gulzig, langs de stof likken, langzaam bezit nemen van het hele vod en als ze het achteloos opzij gooit zet ze dit gebaar kracht bij met een schreeuw die door merg en been gaat. Een schreeuw die je tot op het bot raakt.
Om haar heen hoort ze inslagen van kogels, hoe mensen het uitschreeuwen van pijn als ze geraakt worden. Maar ze loopt door. Voor haar wachten de kelders van de Evin-gevangenis, waar al decennialang botten breken, dromen sterven en afschuwelijke martelingen niet slechts beloftes zijn, maar bittere realiteit. Toch loopt ze door. Elke stap is als een plechtige eed; dit nooit meer. Elke hijab die brandt is een hart dat weigert te buigen.















































