Nederland investeert miljarden in windenergie, stroom gaat voor dumpprijzen naar buitenland

Nederland steekt miljarden euro’s in nieuwe windparken op zee. Tegelijkertijd groeit het risico dat die stroom straks voor lage prijzen wordt geëxporteerd. Volgens Boskalis-chef Peter Berdowski is het huidige beleid financieel onhoudbaar. Hij waarschuwt in De Telegraaf dat de rekening uiteindelijk bij burgers en bedrijven terechtkomt.
De overheid wil het aantal windparken op zee de komende jaren snel uitbreiden. Daarbij wordt steeds vaker gewerkt met garanties op stroomprijzen. Dat moet investeerders zekerheid geven. Maar volgens Berdowski maskeert dit vooral een dieper probleem: nieuwe windparken zijn zonder zware subsidies nauwelijks nog rendabel.
Vijftig procent zon en wind, maar dalende opbrengsten
Het aandeel zon- en windenergie in de Nederlandse stroomproductie ligt inmiddels rond de 50 procent. Die groei is mogelijk gemaakt door jarenlange subsidies en regelingen. Juist dat succes zorgt nu voor druk op nieuwe projecten.
Door het grote aanbod dalen de opbrengsten. Investeren in nieuwe windparken wordt daardoor steeds minder aantrekkelijk. Toch kiest Nederland volgens Berdowski opnieuw voor extra subsidies, in plaats van voor beleid dat de vraag naar elektriciteit vergroot.
Garantieprijzen als nieuw instrument
Het kabinet zet in op zogeheten Contracts for Difference. Dat systeem garandeert producenten een minimumprijs voor stroom, vaak voor tientallen jaren. Als de marktprijs lager uitvalt, vult de overheid het verschil aan.
Berdowski noemt dit geen risicodeling, maar een prijsverzekering die de markt zelf niet meer wil geven. De overheid neemt daarmee risico’s over die private partijen mijden.
Vier miljard euro voor één windpark
Vooruitlopend op een nieuwe regeling die in 2027 moet starten, trekt Sophie Hermans nu al vier miljard euro uit voor één windpark van één gigawatt. Dat bedrag ligt boven de geschatte bouwkosten van zo’n park.
Volgens Berdowski gaat het hier niet om het financieren van een beperkte onrendabele top. Het gaat om het dichten van een groot gat in de businesscase. Hij wijst erop dat dit mogelijk de opmaat is naar meer staatsdeelname in de energiesector.
Ambities lopen snel op
Op dit moment ligt er ongeveer 5 gigawatt aan windvermogen op zee. De ambitie is om dit uit te breiden naar 21 gigawatt in zes jaar tijd. Als daarbij vergelijkbare subsidies nodig zijn, loopt de rekening snel in de tientallen miljarden.
Die bedragen staan los van de kosten voor de aansluiting op het elektriciteitsnet. Die worden niet door exploitanten betaald, maar door netbeheerder TenneT.
Aansluitkosten voor iedereen
De kosten voor netaansluitingen worden verdeeld over alle gebruikers van het stroomnet. Dat betekent dat huishoudens en bedrijven meebetalen, ongeacht of zij profiteren van de extra windenergie.
Volgens Berdowski wringt dit systeem vooral als er straks structurele overschotten ontstaan. Die stroom wordt dan tegen lage prijzen geëxporteerd, terwijl Nederlandse gebruikers wel opdraaien voor de hoge infrastructuurkosten.
Stopcontacten op zee als argument
TenneT is al begonnen met de aanleg van meerdere grote aansluitpunten op zee. Die investeringen worden nu gebruikt als extra reden om nieuwe windparken te bouwen. Anders zouden de aansluitingen ongebruikt blijven.
Berdowski noemt dit een omgekeerde prioriteit. In plaats van eerst de vraag op land te versterken, gaat een groot deel van het investeringsbudget naar zee. Alleen al voor netuitbreiding staat daar een bedrag van circa 35 miljard euro voor gereserveerd.
Rekening bij de samenleving
De kern van de kritiek is volgens Berdowski eenvoudig. Nederland blijft aanbod subsidiëren, terwijl de vraag achterblijft. Het gevolg is een groeiend overschot, lage stroomprijzen en hoge publieke kosten.
Als dat overschot straks tegen dumpprijzen het land verlaat, betalen Nederlandse huishoudens en bedrijven twee keer. Eerst via belastingen en netkosten, daarna via een energiesysteem dat steeds duurder wordt om overeind te houden.





















































