Hoe de DigiD-chaos de deur openzet naar een Europese digitale identiteit

De discussie rond DigiD laait op nu het kabinet het contract met IT-bedrijf Solvinity verlengt, terwijl dat bedrijf wordt overgenomen door het Amerikaanse Kyndryl. In media en politiek klinkt vooral zorg over privacy en buitenlandse invloed. De boodschap is duidelijk: Nederlandse gegevens zouden mogelijk in Amerikaanse handen kunnen vallen. Maar volgens commentator en presentator Jorn Luka wordt daarmee een veel fundamenteler probleem verhuld. Wordt de Nederlandse bevolking warm gemaakt voor de komst van de Europese digitale identiteit?
DigiD is formeel niet verplicht, maar in de praktijk nauwelijks te omzeilen. Steeds meer overheidsdiensten, van belastingaangifte tot zorg en toeslagen, zijn afhankelijk van digitale identificatie via dit systeem. Wie er bewust afstand van wil nemen, loopt al snel vast. “Je moet dan terug naar communicatie via brieven”, zegt privacy- en ICT-expert Brenno de Winter tegenover NU.nl. Dat betekent langere wachttijden, meer administratieve lasten en beperkte toegang tot diensten. Techdeskundige Bert Hubert waarschuwt dan ook bij NU.nl: “Maar besef dat je jezelf het leven heel moeilijk maakt.” Daarmee ontstaat een situatie waarin burgers feitelijk afhankelijk zijn van één digitaal toegangspunt, zonder volwaardig alternatief.
De politieke discussie richt zich vooral op de risico’s van buitenlandse invloed. De overname van Solvinity door een Amerikaans bedrijf voedt de angst dat gegevens van Nederlanders toegankelijk worden voor Amerikaanse autoriteiten. Staatssecretaris Eric van der Burg gaf in een Kamerbrief aan dat verlenging van het contract noodzakelijk is, omdat anders “de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar” komt. Daarmee lijkt de keuze volgens het kabinet beperkt: doorgaan of risico nemen met de werking van essentiële systemen.
'Eenzijdige focus'
Jorn Luka plaatst vraagtekens bij de eenzijdige focus op deze buitenlandse dreiging. Hij wijst erop dat de huidige ophef volgens hem een bredere discussie overschaduwt. “Iedereen dus een rep en roer, want stel je voor onze gegevens komen in Amerikaanse handen terecht”, zegt hij. Tegelijk stelt hij dat het debat weinig aandacht heeft voor eerdere keuzes van de overheid op het gebied van data en privacy. “Alsof de Nederlandse overheid bewezen heeft dat ze het zo met onze privacy goed voor hebben.” Daarmee verwijst hij onder meer naar eerdere wetgeving en maatregelen rond dataverzameling, die volgens hem laten zien dat privacyvraagstukken niet nieuw zijn.
Volgens Luka wordt het probleem nu gepresenteerd als een acute dreiging, terwijl de afhankelijkheid van één systeem al langer bestaat. Hij vat dat samen in één zin: “Burger kan geen kant op vanwege het uitblijven van DigiD alternatief.” Die afhankelijkheid is volgens hem het echte knelpunt, omdat burgers daardoor weinig keuzevrijheid hebben in hoe zij met de overheid communiceren. De discussie over buitenlandse invloed raakt volgens hem dus slechts een deel van het verhaal.
Ondertussen erkennen ook experts dat de huidige situatie het gevolg is van beleidskeuzes uit het verleden. Nederland heeft jarenlang ingezet op één centraal inlogsysteem, zonder parallel een volwaardig alternatief te ontwikkelen. Hubert stelt dat de overheid te laat in actie is gekomen: “Als we toen begonnen waren met een alternatief, was dat nu klaar geweest.” Door dat uitstel is de afhankelijkheid alleen maar groter geworden, terwijl de technische en politieke risico’s zijn toegenomen.
#DigiD zo doorzichtig? pic.twitter.com/SmH9UNEnaL
— Eindhoven-in-verzet (@anticovidiano74) May 5, 2026
Opstapje naar Europese digitale identiteit?
Tegelijk wordt gewerkt aan een nieuw systeem op Europees niveau. De Europese Unie ontwikkelt een digitale identiteit, waarmee burgers zich bij verschillende diensten kunnen aanmelden zonder telkens gegevens te delen. Dat systeem moet eind 2026 beschikbaar zijn, maar het is onzeker of Nederland die deadline haalt. Bovendien is nog onduidelijk hoe de techniek precies wordt ingericht en of het daadwerkelijk een alternatief vormt voor DigiD. Hubert waarschuwt dat ook daar nieuwe afhankelijkheden kunnen ontstaan: “In Duitsland hebben ze een ID-wallet die aan een Google-account is gekoppeld. Dan ben je dus niets opgeschoten.”
De situatie rond DigiD laat daarmee een breder spanningsveld zien. Aan de ene kant is er de behoefte aan efficiënte digitale dienstverlening. Aan de andere kant groeit de zorg over privacy, controle en afhankelijkheid van grote systemen, zowel nationaal als internationaal. De huidige ophef over de rol van Amerikaanse bedrijven raakt aan die zorgen, maar volgens Luka blijft een fundamentele vraag onderbelicht: hoeveel keuze heeft de burger nog als digitale toegang tot de overheid via één kanaal verloopt?



















































