Voedingscentrum krijgt kritische brief over klimaatfocus

De nieuwe koers van het Voedingscentrum zorgt voor onrust in de pluimveesector. Nu duurzaamheid zwaarder wordt meegewogen in de Schijf van Vijf, vraagt brancheorganisatie Nepluvi zich af wat dat betekent voor dierenwelzijn. Voorzitter Gert-Jan Oplaat stelt in een open brief op Pluimveeweb een scherpe vraag: als lage CO2-uitstoot belangrijker wordt, komt gangbare kip dan straks beter uit de bus dan kip met een dierenwelzijnskeurmerk?
Oplaat stuurde de brief dinsdag 19 mei naar het Voedingscentrum. Hij schrijft namens de pluimveesector dat een voedingsadvies niet alleen naar klimaat en milieu moet kijken. Ook dierenwelzijn, betaalbaarheid, voedselzekerheid en de economische werkelijkheid van boeren en verwerkers moeten volgens hem worden meegewogen.
Daarmee raakt de brief aan een ongemakkelijk spanningsveld. Kip met meer dierenwelzijn is niet automatisch de kip met de laagste milieudruk. Een kip die langzamer groeit, meer ruimte krijgt en meer beweegt, eet ook meer voer. Daardoor stijgt de uitstoot per kilogram vlees. Juist de stappen die de sector de afgelopen jaren zette voor dierenwelzijn, kunnen dus op papier slechter scoren bij klimaatcijfers.
Nieuwe Schijf van Vijf roept vragen op
Het Voedingscentrum heeft duurzaamheid nadrukkelijker verwerkt in zijn voedingsadviezen. Volgens Nepluvi is het terecht dat thema’s als klimaat en voedselproductie worden besproken. Maar de brancheorganisatie vraagt zich af of het Voedingscentrum daarmee niet één criterium te zwaar laat wegen.
“Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van uw vernieuwde adviezen rondom de Schijf van Vijf, waarin duurzaamheid nadrukkelijker is meegewogen in voedingsaanbevelingen”, schrijft Oplaat. “Het is goed dat maatschappelijke vraagstukken zoals klimaat en voedselproductie onderdeel zijn van het publieke debat.”
Daarna volgt de kanttekening. Volgens Oplaat roept de nieuwe koers “fundamentele vragen” op. Want duurzaamheid is geen eenduidig begrip. Wat goed is voor CO2-uitstoot, is niet altijd goed voor dierenwelzijn. En wat goed is voor dierenwelzijn, is niet altijd het meest efficiënt voor milieu-impact.
Dierenwelzijn kost ook iets
De Nederlandse pluimveesector wijst erop dat er de afgelopen jaren veel is veranderd. Via onder meer het Beter Leven Keurmerk zijn stalsystemen aangepast. Dieren groeien langzamer. Ze krijgen meer ruimte. Ook krijgen ze meer afleiding en meer mogelijkheden voor natuurlijk gedrag.
Volgens Oplaat waren die stappen niet vrijblijvend. Boeren en verwerkers hebben erin geïnvesteerd. Tegelijk hebben die keuzes gevolgen voor de milieuscore van vlees.
“Een kip die langzamer groeit, meer beweegt en meer ruimte krijgt, eet namelijk ook meer voer”, schrijft hij. “De zogenoemde voederconversie stijgt. Daarmee stijgt de CO2-uitstoot per kilogram product.”
Daarmee ontstaat volgens Nepluvi een lastige tegenstelling. “Anders gezegd: beter dierenwelzijn gaat gepaard met een lagere efficiëntie en meer milieu-uitstoot op diverse parameters.”
Adviseert het Voedingscentrum straks gangbare kip?
De centrale vraag van de brief is daarom scherp geformuleerd. Als duurzaamheid nu zwaarder telt, moet het Voedingscentrum dan ook eerlijk zeggen welke kip volgens dat criterium het beste scoort?
Oplaat schrijft: “Als duurzaamheid nu zwaarder meeweegt in voedingsadviezen, betekent dit dan dat het Voedingscentrum voortaan ook expliciet gaat adviseren om als er dan vlees gegeten wordt, dat dat vlees is zonder dierenwelzijnsconcept.”
Hij trekt die lijn verder door. Als de laagste uitstoot leidend is, zou pluimveevlees in het algemeen relatief gunstig kunnen scoren ten opzichte van andere vleessoorten. “En betekent dit dan verder dat als je vlees eet, dat je die zou moeten consumeren met de laagste CO2-uitstoot, zoals pluimveevlees?”
Daarmee probeert Nepluvi het Voedingscentrum vast te pinnen op de gevolgen van zijn eigen afweging. Wie duurzaamheid centraal zet, moet volgens de sector ook benoemen dat dierenwelzijn en klimaatdoelen soms botsen.
Consument moet volledig verhaal krijgen
Nepluvi zegt niet dat duurzaamheid onbelangrijk is. De sector wil vooral dat consumenten niet met een versimpeld verhaal worden gevoed. Volgens Oplaat hebben zij recht op een bredere uitleg.
“Wij vinden dat consumenten recht hebben op een eerlijk en volledig verhaal”, schrijft hij. “Een verhaal waarin het gesprek over CO2-uitstoot belangrijk is, maar dierenwelzijn, betaalbaarheid, voedselzekerheid en sociaaleconomische realiteit eveneens.”
Volgens Oplaat ontstaan er nieuwe tegenstrijdigheden zodra één criterium dominant wordt gemaakt. Hij vindt daarom dat het Voedingscentrum moet kiezen. Of het beperkt zich tot voedingswaarde. Of het neemt alle relevante factoren mee in zijn adviezen.
“Ons inziens zou het Voedingscentrum zich moeten houden tot of informatie over voedingswaarde en anders alle variabelen een plek geven in de discussie over de consumptie van (pluimvee)vlees.”
Pluimveevlees kan juist hoog scoren
Als het Voedingscentrum besluit om breder te adviseren dan alleen over voedingswaarde, verwacht Nepluvi dat pluimveevlees goed wordt beoordeeld. De sector wijst op de relatief lage klimaatimpact van kip ten opzichte van veel andere vleessoorten.
Oplaat schrijft dat, als alle variabelen worden meegenomen, “consumptie van het duurzame pluimveevlees extra hoog in de adviezen van het Voedingscentrum zal komen te staan.”
Daarmee draait hij de discussie om. Niet alleen minder vlees eten is volgens de sector relevant. Ook de vraag welk vlees mensen eten, hoort erbij. Als consumenten toch vlees willen eten, dan zou pluimveevlees volgens Nepluvi een logische keuze kunnen zijn binnen een duurzamer voedingspatroon. Tegelijk waarschuwt de organisatie dat dierenwelzijn dan niet onder tafel mag verdwijnen.
Uitnodiging voor gesprek
De brief eindigt met een uitnodiging aan het Voedingscentrum. Nepluvi wil in gesprek over de vraag waarom juist milieu-impact zo nadrukkelijk is toegevoegd aan de voedingsadviezen. Ook wil de sector weten of het Voedingscentrum de gevolgen van die keuze voldoende heeft doordacht.
“Kortom, met uw huidige keuze om naast voedingswaardes ook milieu-impact mee te nemen, neemt u hierin een duidelijke keus en sluit u vele andere variabelen uit”, schrijft Oplaat.
Hij vervolgt: “Wij nodigen het Voedingscentrum uit tot een open gesprek over de vraag waarom u specifiek deze keus heeft gemaakt en of u ook de consequenties hiervan heeft overzien.”




















































