Bart De Wever waarschuwt: ‘Europa staat aan de rand van een existentiële crisis’

De Belgische premier Bart De Wever heeft hard uitgehaald naar het huidige Europese beleid. Tijdens een industrietop in Antwerpen schetste hij een somber beeld van de toekomst van de Europese economie. Volgens hem balanceert de Europese Unie op de rand van een existentiële crisis. Niet door één enkele oorzaak, maar door een opeenstapeling van fouten, dogma’s en politieke keuzes die de industrie structureel verzwakken.
De Wever sprak zijn zorgen uit in de historische beurs van Antwerpen, aan het slot van de European Industry Summit. “Wij staan op de rand van een existentiële crisis,” zei hij. Die woorden waren niet bedoeld als retoriek, maar als waarschuwing. Na gesprekken met bedrijfsleiders noemde hij de situatie “simpelweg dramatisch”. De ontmoetingen waren, zo gaf hij toe, “een koude douche”.
Hoge kosten en tanend concurrentievermogen
Volgens de Belgische premier wordt de Europese industrie onder druk gezet door hoge energieprijzen, afnemende concurrentiekracht, een verstikkende regeldruk en dumping door China. Vooral energie-intensieve sectoren voelen de klap. In de chemische industrie, die De Wever omschreef als “de ruggengraat van de Europese industrie”, is in vier jaar tijd bijna tien procent van de productiecapaciteit verdwenen.
In landen als België, Duitsland, Nederland en Frankrijk is de situatie volgens hem bijzonder ernstig. Hij gebruikte een maritieme metafoor om dat gevoel te schetsen: het is alsof Europa op de brug van een schip staat, naar de horizon kijkt, maar het roer niet meer kan bewegen.
Kritiek zonder persoonlijke aanval
Ook Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, was bij de top aanwezig. De Wever geldt als een uitgesproken criticus van het huidige EU-beleid, maar hij richtte zich niet op de persoon. “De werkelijkheid is helaas wat ze is,” zei hij, waarmee hij duidelijk maakte dat het probleem volgens hem dieper zit dan één bestuurder.
Voor een informeel EU-overleg in Limburg legde De Wever zijn prioriteiten scherp vast. Europa moet zich opnieuw richten op innovatie, productiviteit en concurrentiekracht. “Als Europa een rol wil spelen in de wereld, moet onze industrie eerst weer een rol spelen in Europa,” zei hij.
Dreigend ‘industrieel museum’
Zonder koerswijziging dreigt Europa volgens De Wever te veranderen in een industrieel museum. Een continent dat terugkijkt op vroegere welvaart, terwijl groei en technologische vooruitgang elders plaatsvinden. Uit een voortgangsrapport bij de zogeheten Antwerp Declaration blijkt dat 83 procent van de aangekondigde maatregelen om het concurrentievermogen te versterken stilstaat of zelfs achteruitgaat.
Volgens De Wever is half werk niet genoeg. Kleine administratieve aanpassingen noemde hij “cosmetische chirurgie”. Wat nodig is, is “shocktherapie”. Hij pleitte voor een vermindering van de administratieve lasten voor bedrijven met 35 procent binnen één bestuursperiode.
Groene politiek als economische rem
In een ander debat over de toekomst van Europa was De Wever nog scherper. Hij stelde dat de Europese groene transitie juist bijdraagt aan de afbraak van de industrie. Eerdere energiepolitieke keuzes hebben energie duur gemaakt en de economie verzwakt. Terwijl China beschikt over goedkope energie, zit Europa volgens hem met “de waanzinnige rekeningen”.
De Wever bekritiseerde het gebrek aan technologische neutraliteit. Europa legt volgens hem te strak vast wat als ‘groen’ mag gelden, waardoor innovatie wordt afgeremd in plaats van gestimuleerd. “Pragmatisme is geen compromis,” zei hij. “Het is een voorwaarde voor weerbaarheid.”
Kernenergie als grote gemiste kans
Bijzonder fel was hij over het afbouwen van kernenergie. Dat noemde hij zonder omwegen “de domste beslissing van deze eeuw”. Europa maakte zich afhankelijk van Russisch gas en vertrouwde tegelijk op de Verenigde Staten als ultieme veiligheidsanker. Nu dreigt die afhankelijkheid zich tegen Europa te keren.
Ook grootschalige plannen voor offshore wind en waterstof kregen kritiek. Tijdens het Noordzeetopoverleg in Hamburg klonken volgens De Wever achter de schermen grote twijfels. Offshore wind is duur en moeilijk te financieren. Het idee om overtollige stroom te gebruiken voor groene waterstof noemde hij “briljant, maar extreem duur”.
Toen de sector opriep tot politieke steun om een markt voor waterstof te creëren, was zijn reactie scherp: “Toen begon ik me in de Sovjet-Unie te wanen.” Als politici markten moeten creëren, volgt volgens hem bijna altijd een eindeloze stroom subsidies.
Subsidies zijn geen verdienmodel
De Wever waarschuwde dat Europa zijn economie niet kan bouwen op permanente steun. “Je kunt niet concurrerend zijn in een gesubsidieerde economie,” stelde hij. Door de hoge energieprijzen overwegen steeds meer bedrijven Europa te verlaten. Wie fossiele energie te snel uitfaseert, faseert volgens hem in feite de Europese industrie uit.
“Europa’s decarbonisatie dreigt synoniem te worden met Europa’s de-industrialisatie,” waarschuwde hij.
Alles bij elkaar schetst De Wever een Europa op een kruispunt. Zonder sterke industrie verliest het continent niet alleen economische groei, maar ook invloed en strategische zelfstandigheid. Zijn boodschap uit Antwerpen is helder: zonder pragmatisme, betaalbare energie en ruimte voor industrie zet Europa zijn eigen toekomst op het spel.























































