Linkse partijen willen veehouderij slopen: 'Minder vee betekent meer voedselzekerheid'

De Nederlandse veehouderij moet volgens PRO en de Partij voor de Dieren flink kleiner worden. Tijdens een fel commissiedebat over voedselzekerheid wezen beide partijen daarbij opvallend genoeg naar de Tweede Wereldoorlog. Toen werd de veestapel fors ingekrompen om meer voedsel beschikbaar te houden voor mensen. PRO-Kamerlid Laura Bromet vroeg het kabinet zelfs of zo'n noodplan opnieuw klaarligt.
Staatssecretaris Silvio Erkens van Landbouw antwoordde dat zo'n concreet plan er niet is. Toch sloot hij extreme maatregelen in een ernstige crisis niet volledig uit. „We hebben niet een plan klaar liggen voor het verminderen van de veestapel, in dat geval conform de Tweede Wereldoorlog. Maar we verkennen wel de uithoeken van noodscenario's”, zei hij. Het landelijke crisisplan voor de voedselvoorziening moet begin 2027 naar de Tweede Kamer.
Bromet wijst naar Tweede Wereldoorlog
Het debat van afgelopen woensdag draaide om de vraag hoe Nederland genoeg voedsel houdt als internationale aanvoerketens uitvallen. Bromet botste daarover met BBB-leider Caroline van der Plas.
Bromet vroeg Van der Plas: „Weet mevrouw van der Plas wat er gebeurd is in het begin van de Tweede Wereldoorlog?” Even later gaf ze zelf antwoord. Volgens haar besloot de overheid destijds dat „de veestapel moet krimpen zodat we voedsel voor mensen kunnen maken in plaats van voor dieren”.
Die verwijzing naar de oorlog heeft een historische basis. Nederland was voor de oorlog sterk afhankelijk van de invoer van onder meer graan en veevoer. Toen die import grotendeels wegviel, moesten varkens en kippen plaatsmaken voor gewassen die mensen rechtstreeks konden eten. Grasland werd omgeploegd en er kwamen meer aardappelen, granen en groenten. Tussen 1939 en 1943 daalde alleen al het aantal kippen met bijna 90 procent.
Tegelijk betekende die aanpak niet alleen minder vee. Er kwam een omvangrijk systeem van rantsoenering, distributie en overheidscontrole. Meer dan 20.000 ambtenaren waren bij de voedselvoorziening betrokken. Voedselbestuurder Stephanus Louwes vatte de koers destijds samen: „De voeding van het Nederlandse volk moest kwalitatief worden verlaagd om kwantitatief eenigszins voldoende te blijven.” Ernstige voedseltekorten bleven tot het najaar van 1944 grotendeels uit.
Partij voor de Dieren wil forse krimp
PvdD-Kamerlid Ines Kostić ging tijdens het debat uitgebreid in op de omvang van de veehouderij. „Minder vee betekent meer voedselzekerheid, beste mensen”, zei ze. Volgens Kostić wordt te veel landbouwgrond gebruikt om dieren te voeren, terwijl die grond ook voedsel rechtstreeks voor mensen kan produceren.
Daar speelt ook dierenwelzijn een rol bij. Kostić wees op de honderden miljoenen dieren die jaarlijks in de Nederlandse veehouderij worden gehouden en geslacht. Zij noemde de omschakeling naar meer plantaardig en minder dierlijk voedsel een manier om tegelijk de afhankelijkheid van het buitenland, stikstofuitstoot, watervervuiling en dierenleed terug te dringen.
De Partij voor de Dieren heeft eerder een veel concreter doel genoemd. In het verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 stond dat het aantal dieren in de vee-industrie binnen twee jaar met minstens 75 procentmoest dalen. Boeren zouden daarbij geholpen moeten worden om over te stappen naar duurzame en plantaardige landbouw.
Dat betekent volgens Kostić niet dat burgers verplicht plantaardig moeten eten. Nadat Van der Plas stelde dat Nederland een markteconomie is waarin mensen hun eigen keuzes maken, antwoordde Kostić dat haar partij mensen niets wil opdringen.
PRO wil minder vee, maar noemt geen 75 procent
Ook PRO wil naar een kleinere veestapel. De landbouwvisie die Bromets toenmalige fractie GroenLinks-PvdA in 2025 presenteerde, bevat echter geen doel om binnen twee jaar driekwart van het vee te laten verdwijnen.
De partij wil onder meer een graslandnorm en een grondgebonden veehouderij. Voedsel dat geschikt is voor mensen moet volgens de visie in beginsel niet aan vee worden gevoerd. Varkens- en pluimveehouders die afhankelijk zijn van ingevoerd krachtvoer moeten steun kunnen krijgen bij de overstap naar een ander verdienmodel. In het stuk staat expliciet: „We verkleinen de veestapel”.
Een eerdere doorrekening van de verkiezingsprogramma's uit 2023 laat zien hoe groot het effect van dergelijk beleid kan zijn. Het Planbureau voor de Leefomgeving berekende destijds dat de maatregelen van GroenLinks-PvdA, D66 en Volt richting 2030 tot een 30 tot 35 procent kleinere veestapel konden leiden. Het PBL benadrukte daarbij dat die percentages onzeker waren. Het ging bovendien om de verkiezingsprogramma's van 2023 en dus niet om een berekening van de huidige standpunten in 2026.
Felle weerstand in de Kamer
De voorstellen zorgden voor flinke botsingen met partijen die het behoud van de Nederlandse veehouderij juist belangrijk vinden voor de voedselvoorziening. Van der Plas stelde dat koeien gras kunnen omzetten in voedsel en wees erop dat niet iedere Nederlandse bodem geschikt is om groenten of graan op te verbouwen. Zij vindt bovendien dat de keuze voor vlees of plantaardig voedsel bij consumenten zelf moet blijven.
Ook onafhankelijk Kamerlid Mona Keijzer verzette zich tegen de redenering van Kostić. Zij zei dat mensen zelf moeten uitmaken wat zij eten en stelde dat het beleid van de Partij voor de Dieren volgens haar „een beetje communistische trekken heeft”. Kostić bestreed die voorstelling en zei dat zij een toekomstbeeld voor landbouw en voedselzekerheid schetste, niet een verplicht dieet.
Bromet hield tijdens het debat juist vol dat de overheid in een ernstige crisis verder moet kijken dan de bestaande voedselmarkt. Volgens haar moet dan worden gekeken naar „de landbouw in Nederland” en „de distributie van voedsel”. Eerder pleitte ze daarnaast voor alternatieven als fermentatie en kweekvlees, in plaats van het vervoeren van kalveren door Europa.





















































