Twee dagen voor Hongaarse verkiezingen: radicale beschuldigingen en spionage

In de afgelopen weken heeft Hongarije een reeks afgemeten ‘incidenten’ en reacties gezien die specifiek zijn ontworpen om het nieuwste narratief van de Tisza-partij te versterken: de Hongaarse staat zet zijn inlichtingendiensten en institutionele macht in om hen in diskrediet te brengen. Hoewel deze beweringen altijd al aanwezig waren, heeft Péter Magyar deze strategie nu verder opgevoerd en tot het middelpunt van zijn laatste campagnesprint gemaakt.
Hij heeft afstand genomen van zijn eerdere, meer uitdagende retoriek, die draaide om ‘niet bang zijn’, en positioneert zich nu als slachtoffer van een allesomvattend staatsapparaat. Deze tactische terugtrekking in slachtofferschap is een doorzichtige poging om het groeiende bewijs van buitenlandse invloed te negeren. In plaats van verantwoording af te leggen voor de jaarlijkse last van 1,5 miljoen forint die zijn beleid gezinnen zou opleggen, of uit te leggen waarom zich buitenlandse IT-specialisten zoals ‘Gundalf’ in zijn inner circle bevinden, een 19-jarige jongen en vermeende spion, waar ik later uitgebreider op terugkom, probeert Magyar zijn achterban op te zwepen met gecreëerd wantrouwen.




















































